Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
ALS HET WATER AAN DE LIPPEN KOMT, IS
OODS REDDENDE HAND NABU.
(Met een Plaatje.)
„Waar is je moeder, Anna?" vroeg ik dezer dagen aan
mijn dochtertje, toen ik onze huiskamer binnentrad om mijn
vrouw iets te vragen.
„Ik geloof in de keuken, vader!" was het antwoord.
In tien stappen was ik in de keuken en vond daar mijn
vrouw in druk gesprek met een oud moedertje uit onze buurt,
die geregeld een paar malen in de week de overgeschoten kof-
fie bij ons komt halen en thans bezig was het zwarte vocht
in een rood-aarden kan over te gieten.
„Goeien morgen, Mie! gaat het goed?" voegde ik de vreemde
toe en wendde mij daarna tot mijn vrouw. Ons gesprek was
in een paar woorden afgehandeld, en zoodra de andere dit
bemerkte, klonk haar antwoord: „Och, nog al zoo heen; nu
het weêr wat zachter wordt, zal het wel weer schikken; maar
met die bittere kou van laatst is het anders een toer geweest."
„Ja, dat kan ik wel deuken," hernam ik, en had den deurknop
al in de hand om weer heen te gaan, toen Mie vervolgde:
„Maar we zijn er met Gods hulp toch alweer door gekomen,
en nu zou ik haast gelooven dat onze lieve Heer een wonder
aan ons gedaan heeft, dat moet ik u toch eens vertellen.''
Ik had nu juist niet heel veel tijd om naar de mij al te
goed bekende langdradige manier van vertellen van Mie te
luisteren; doch ik wist van den anderen kant ook veel te goed,
hoeveel genoegen arme menschen hebben , als zij eens, op hun
wijze, hun wedervaren kunnen verhalen. Ik wilde de goede
1870. II. 1