Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
,/Jawel pa, maar Piet maakt zulk een leven , dat wij elkan-
der niet verstaan kunnen!" antwoordde Johanna.
„Ja, Piet is een wildzang eu Johanna is wat korzeliug uit-
gevallen , zóó zal het wel zijn. Maar zeg mij eens, Leentje ,
hoe staat het met het Pransch en wie is er verder, u of Ger-
rit ?"
;/We zijn allebei even hoog, Oome!" zeide Lena.
De kleine freule meende nu juist van pas hare aanmerking
te kunnen maken en zei: „Maar als ik toch uw pa was, dan
zou ik u toch geen Pransch laten leeren bij zoo'n kindermeid
of boniie. Waar zou dat schepsel het geleerd hebben!"
Onderwijl freule Maria dat zoo zei, keek de doctor zoo zwart
als de nacht, doch in plaats van het trotsche dametjen eene
vermaning te geven, die ze waarlijk wel verdiende, bedacht
hij wat anders,
„Kinderen ," zei hij, „'t is toch geen weer om buiten te
gaan spelen. Ik heb een half uurtjen tijd over, vindt ge nu
goed dat ik u wat vertel ?"
Geen der kinderen had hier iets tegen, zoodat de doctor dan
ook maar dadelijk begon.
Toen ik nog klein was, hadden we bij ons thuis ook eene
bonne. Ze was stil, beleefd en bescheiden en zc deed alles
wat ze kon om ons iets te leeren of ora ons genoegen te doen.
Maar wat ze ook deed, wij hadden onder elkander besloten
eens uiemedal van „onze juf' te houden en haar het leven zoo
onaangenaam mogelijk te maken. Wij zorgden wel, dat vader
en moeder er niets van zagen en daar de „juf zelve nooit
iets van ons verklikte, al hadden we het ook nog zoo bont
gemaakt, zoo had zij met iederen dag meer van ons te lijden.
Zoo ging het een maand of drie lang, toen ze besloot eene
andere betrekking te zoeken.
Vader eu moeder trachtten haar wel over tc halen om te
blijven en vraagden haar of er dan in huis iets was, dat haar
hinderde en of de kinderen soms tc ongezeggelijk waren.