Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
blijdschap vaii dcu iioogmoedigeu zanger, de uitroepen: //dat
is prachtig! o, hoe lief! wat is dat mooi!"
Er waren er, die wel een uur later naar bed gingen dan ge-
woonlijk , en het gezang duurde soms den geheelen nacht door.
Eindelijk kwamen de jonge vogeltjes uit den dop te voor-
schijn en zong de verrukte vader hun het welkom in dit leven
toe. Ook het vrouwtje voelde zich zoo hoogst gelukkig, toen
zij moeder geworden was. De jongen groeiden voorspoedig op.
Zagen zij er in den beginne kaal en viesch uit, nu begonnen
zij veertjes en een staart en beter fatsoen van bek te krijgen,
eu hun papa was er al op bedacht geweest, hun spoedig, bij
gunstig weer, eene les in het vliegen te geven.
Maar het zou zoo ver niet komen. Daar zouden de ondeu-
'gende jongens wel voor zorgen. Zij hadden reeds lang uitge-
kekeu waar de nachtegaal gewoon was te zingen , en daaruit
opgemaakt, dat daar ergens in de nabijheid ook zijn nestje zou
te vinden zijn.
Eens — het was op een Zaterdag middag — zaten de ou-
den bij het nest dood bedaard de jongen eenige wormpjes voor
te dienen, toen men eenig gekraak in de struiken vernam.
//Ik hoor onraad!" zei de bezorgde moeder, doodelijk ont-
steld,
//Ik ook!" zei de vader, niet minder verschrikt. *Houden
we ons zoo stil mogelijk."
De voetstappen naderden.
(/Nu wordt het tijd van vluchten. Aanstonds voort!" riep
het mannetje uit. En terstond vlogen zij, op eigen beveili-
ging bedacht, naar omhoog.
En wat zagen zij nu gebeuren?
Een drietal knapen was aan het zoeken naar het nest, en
zoodra zij de ouden zagen wegvliegen , riepen zij elkander toe :
//nu weten wij het; daar moet het wezen!"
't Was ook spoedig ontdekt, en het uest met de jongen werd
buit gemaakt.