Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
hebben als een nachtegaal. Daar heb je bijvoorbeeld de va-
riatiën op la Roxsi;/nol. Laten zij het mij eens verbeteren! — Je
zult het zien en beleven hoeveel eer en roem ik er meß zal
inleggen, als ik mijn solo's zing. Het is zoo streelend voor
mijn gevoel als de menschen zeggen: //»hoe mooi, hoe heerlijk
mooi!"" Geen andere vogel kan het ook zoo mooi doen als
ik. De leeuwerikken zingen tamelijk goed, maar zacht en flaauw.
De lijsters doen genoeg hun best en ze hebben een helder
orgaan, maar 't is vervelend en eentoonig, en 's nachts zijn
ze te slaperig. Neen, ik en ik alleen heb den voorrang. En
daarom wil ik in de wereld scliitteren met mijne talenten."
En of nu het wijfje op haar eschdoorntak hoog sprong en
of zij laag sprong, het baatte niets; het plan van haren heer
gemaal moest ten uitvoer worden gebracht. Zij moest hem vol-
gen onder de menschen , de wijde wereld iu.
Den volgenden morgen vlogen zij verder. Na eenige uren
kwamen zij aan bij een dorp. De toren stak verheven uit boven
het hooge geboomte, en van de spits kon men den geheelen
omtrek overzien. Langs den weg, die door het dorp liep en
voorbij eenige meer verwijderde woningen , bevond zich een
laan, aan weerskanten met laag kreupelhout beplant, die zoo-
wel voor voetgangers als voor karren en wagens bestemd was.
Het kleine bosehje had een gezellig, open en vroolijk aanzien ,
en werd dan ook aanstonds door den mannetjes nachtegaal als
de plaats der bestemming aangewezen.
In het begin ging alles goed. Het kleine nest op den grond
tusschen de uitloopende wortels der boomen gebouwd, was
zóó bedekt en verborgen door ruigte en gras, dat het, zoo
als de beide vogels dachten, onmogelijk ontdekt kon worden.
Weldra lagen er vier eitjes in; en wanneer het wijfje zat te
broeien, liet het mannetje boven in de hooge takken zijn hel-
dere stem rollen dat het zoo'n aard had.
's Avonds, als alles stil was, stonden er aan den weg ge-
durig menschen naar te luisteren, en hoorde men, tot groote