Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
een warmen dag, die koele zeewindjes 's avonds zoo frisch en
verkwikkend zijn."
't Mannetje schudde zijn hoofd eu ging voort: »wat is het
hier schraal, er valt niets te bikken; 't is hier een dorre streek,
waar we van honger en gebrek zullen omkomen."
— ,/Maar man! daar is geen vrees voor. Kijk maar eens uit.
Wat al wormpjes en vliegjes krioelen er in het zand. O, zoo
lekker! En dan komen er later de mieren en de rupsen bij.
Geloof me, we zullen met onze kinderen geen gebrek behoe-
ven te lijden....."
— v't Kan wel wezen, vrouw! maar het is me hier vee! te
stil en te ecntoonig. Ik houd van de gezelligheid. Ik ben
heel graag waar menschen zijn."
— //I)at vind ik juist zoo gevaarlijk. Hoe hebben oom en tante
ons op reis daarvoor gewaarschuwd. ,///Begeeft ü,"" zeiden zij;
////niet te veel onder de menschen, want die kan men nooit ver-
trouwen. Eu die kleine menschen nog het allerminst. Het
wordt hun zóó gezegd, dat zij geen nestjes mogen uithalen,
omdat de vogels, die zulke nuttige dieren zijn en millioeneu
iusekten verslinden, gevaar zouden loopen van te verminderen
of te worden uitgeroeid; — maar ja wel, zij geven er niet om :
ze doen het toch. En dan houden de menschen er nog ake-
lige valsche beesten op na, die zij katten noemen, met vurige
oogen en scherpe nagels.'"'
— //Ja, dat hebben oom en tante ons verteld, maar die zijn
ook zulke bangerts. We kunnen immers wegvliegen als er
gevaar is, eu dan kunnen geen menschen, geene ondeugende
jongens en geen kutten ons krijgen. Neen, wijfje lief! we
gaan landwaarts henen, de wijde wereld in. Wat zou het dwaas
zijn , hier mijne zomeravond-concerten te geven , waar niemand
is die er naar komt luisteren ! Je weet, ik heb een mooie
stem, en ik zing mooi, al zeg ik het zelf. Dat moeten de
menschen hooren. Ze zullen knap zijn, als ze het mij nadoen;
eu 't is een laffe onwaarheid als ze beweren, dat zij een stem