Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page

34
uit te kloppen en af te vegen eu te doen luchten, daar zag
men ook nu en dan een musch of spreeuw een strooitje, een
veertje of wat paardenhaar, dat uit de stoelkussens gekropen
was, in den bek nemen en er mede naar het nest vliegen.
Dagelijks kwamen er ook onderscheidene zoogenaamde trekvo-
gels in groote zwermen uit vreemde streken , waar zij den winter
hadden doorgebracht, in ons land de lente begroeten en zich
een plekje kiezen, waar zij hun zomerverblijf konden op-
slaan.
In de duinen, vooral dicht bij het zeestrand, bleef alles
nog dor en kaal. En toch begon er reeds een groene tint te
komen over het kreupelhout van de kleine boschjes, die hier
en daar in de vlakte verspreid waren in het midden van de
zandige uitgestrektheid.
Daar kwamen na hun zwerftocht twee nachtegalen neder-
strijken, een mannetje eu een wijfje.
//Welkom in Holland! Ik ben er moe van I" zei het man-
netje , en hij liet zich op een tak van een eschdoorn nedervallen
met den uitroep: /,he, dat geeft rust!"
//Dat zal waar zijn!" antwoordde het wijfje, dat naast hem
hijgend was gaan nederzitten. ;/Ik ben bek af!" En zij be-
gon met haar snaveltje hare vleugels glad te strijken en in
orde te brengen.
//'t Ziet er hier goed uit," zoo vervolgde zij, toen zij een
weinig bekomen was, //wat is het hier lief en prettig! Mij
dunkt, we moesten op dit plekje maar blijven en er ons nest
bouwen."
Doch daarin had haar wederhelft niets geen zin.
,/Dat lijkt er niet naar," riep hij haar toe. //Neen, dan
weet ik veel betere gelegenheden, 't Is hier veel te koud, zoo
dicht bij zee, waar het altijd zoo waait en stormt."
— //Och man! daar zullen wij weinig hinder van hebben. Zóo-
dra de bladeren grooter eu de takken dikker worden , zitten
wij hier genoeg beschut. En dan staat er tegenover, dat, na