Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
•5
Kato stoorde er zicli niet aan dat ze gejokt had; 't was de
eerste keer niet.
Ondertusschen of er nu met lust of met tegenzin of zooals
bij Anna met angst gewerkt werd, — de tijd ging toch voorbij,
en 't was nog vier uur eer ze 't wisten.
Na den eten gingen de meisjes gewoonlijk bij mevrouw van
Wcstland, die, bedreven als ze was, in de vrouwelijke hand-
werken, iederen avond liare nichtjes en Anna hiermee bezig
hield of wel met deze ging wandelen.
Reeds onder liet middagmaal ontdekte mevrouw, dat er on-
der de kinderen iets gaande was, dat zoo niet kwaad dan toch
niet recht in den haak v;as.
Had Suz-^, de werkmeid, Leentje geen schoon schort voor-
gedaan dan zou mevrouw er zeker wel iets van begrepen hebben.
Nu echter kon ze alleen vragen wat er aan scheelde, dat
er zoo weinig gegeten werd.
„Wel niets, mama!" zeide Kato, en zij kon zoo'n leugen
zeggen ook, want ze at als een wolf.
„Leentje is ondeugend geweest, mevrouw!" zeide de heer
van Ermesteijn. „Ze mag de geheele week niet meer buiten
spelen!"
„Zoo, zoo, is dat het geval?" sprak domine. „Nu, wie wat
verdient moet wat hebben!"
Anna's hartjen klopte. Ze was benauwd, dut Leentje alles
zeggen zou, net zoo als het gebeurd was, en toen ze haar dat
niet hoorde doen, ja, toen moest Anna bij zich zelve zeggen,
dat ze toch waorlijk niet zulk eene akelige cn flauwe meid was!
Ja, ze bekende het zich zelve: „ik zou me niet zoo onschul-
dig laten straffen!" ^
Toen het middagmaal was afgeloopen en de jongens met
meneer een uurtjen varen gingen op den vijver, stelde me-
vrouw voor, dat ze ook wel eens met de meisjes wilden me-
degaan. Ze moesten de groote boot maar nemen en den tuin-
man roepen, dan kon deze roeien.