Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
l! ,
% H'ï'
af te vegen, totdat de tuinman kwam. Anneko was op straat,
zoodat hij om haar te zoeken langer weg gebleven was, dan
anders het geval zou geweest zijn. Natuurlijk was de man
met het geval verlegen; want als hij zijn gereedschap had mede-
genomen, dan zou het zeker niet gebeurd zijn.
Hij bracht haar metterhaast bij zijne vrouw, die met behulp
van Anneko haar afwaschte en de bloedvlekken beproefde weg
tc maken uit jurk en schort. Maar dat ging niet zoo heel ge-
makkelijk, en nog waren ze bezig met poetsen, toen de bel ging
en het speeluur verloopen was.
Zooals de jongelui hadden afgesproken, z; gaven Leentje
van alles wat er gebeurd was de schuld. Het viel moeielijk
uit te maken, wie er gestraft moest worden, doch hoe meer
meneer van het geval hoorde, des te vaster stond bij hem de
overtuiging, dat de kribbige Leentje de oorzaak van alles
was, zoodat haar dan ook aangezegd werd, dat ze geheel de
week niet meer op de speelplaats komen mocht.
Wat vergiste hij zich!
Zoo hij alles geweten had, waarlijk Kato en Anna zouden
huisarrest hebben gekregen en Leentje niet,
De jongens werkten, alsof er niets gebeurd was, doch met
de meisjes ging het niet zoo vlot.
Leentje beefde van kwaadheid en, in plaats van te denkon
over haar werk, vormde zij een plan om het hun allen be-
taald te zetten. Anna gevoelde zich ook niet recht op liaar
gemak. Telkens als zij Leentje aankeek, dan was het net,
alsof haar de keel werd toegeknepen. Zij had er spijt van, dat
ze ten nadeele van haar zulke leelijke leugens had verteld en
telkens dacht ze: „Neen, 'k wilde toch maar dat ik het niet
gedaan had!"
Meneer zelf was ook niet op zijn gemak. Hij had cr bij
moeten zijn, dat wist hij, — de kinderen mochten niet alleen
spelen. En nu was het de vraag maar,, of domine er niets van
zeggen zou,