Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
f '
heer van Ennosteijn als gouverneur. Zijn vader stond aan het
hoofd der dorpsschool, zoodat domin;; van Westland wel kon
weten, aan wien hij de leiding der kinderen tiad opgedragen.
Behalve den gouverneur vinden we nog Arnold en Kato,
de kinderen van den domine, Adolf en Leentje, de kinderen
van zijn broeder den doctor, en dan nog twee jongentjes en
een meisjen, Pieter, Nicolaa? en Anna de Burger geheeten, wier
vader rijksontvanger in eene kleine plattelands-stad was.
De humeurtjes van deze kinderen liepen zeer uiteen en, het
kan dan ook niet anders, even verschillend was hun inborst.
Een en ander zal dan ook wel blijken uit de volgende vertelling.
Met Januari waren ze al gekomen, zoodat ze elkander dan
ook al zeer goed kenden en precies wisten welk zwak ieder
had. De jongens konden het wonder goed met elkander vinden.
Hiermede wil ik nu niet zeggen, dat ze nooit eens ruzie had-
den , O neen, want hoe meneer van Ermesteijn ook trachtte
den vrede te bewaren, toch gelukte hem dat niet altijd. Ja,
't was wel al eens een paar keer gebeurd, dat ze in het speel-
uur, als //meneer" er per ongeluk niet eens bij was, danig aan
het vechten geweest waren. Maar dat gaat wel meer zoo onder
jongens, doch meest altijd is de vrede ook gauw getrekend.
De meisjes konden het minder met elkander vinden. Kato
en Anna waren beste maatjes. Waar de eene eens niet voort
kon daar hielp haar de andere, en omgekeerd. Leentje daar-
entegen moest", alles alleen doen; want op aanhitsen van Kato
en Anna, wilden de jongens ook niets met haar te doen heb-
ben, zelfs liet haar broeder haar links liggen.
Dan zal die Leentje zeker een kribbig ding geweest ziju?
Neen, kinderen! kribbig was ze niet; maar zij was niet var.
de sterkste. Ze was gauw moede, als er gespeeld werd en hield
derhalve ook niet van ravotten en stoeien. De anderen waren
allemaal sterk en gezond en konden maar volstrekt niet begrij-
pen dat er iemand zijn kon, die zoo gauw moede was.
Zo geloofden het ook niet van Leentje, en noemden haar