Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
koopen. In mijn leven hebben we zoo niet gesmuld als dien
middag en nooit, geloof ik, heb ik zoo hartelijk gedankt voor
hetgeen de goede God ons gegeven heeft; want als dat geen
mirakel was van onzen lieven'Heer, dan weet ik het niet
meer."
De goede oude had uitverteld, en een glans van genoegen
straalde van haar gerimpeld gelaat. Met aandacht had ik naar
haar geluisterd, en ook die belangstelling scheen haar goed
te doen. //Nu, Mie!" zei ik eindelijk, //je schijnt wel op een
goed blaadje aangeschreven te staan bij den Mau hierboven,
maar je hebt je vertrouwen toch wel wat te ver gedreven om
zoo lang in kommer en ellende te zitten , zonder iemand om
hulp te vragen. Gij zijt niet sterk en Toon nog minder, en
dan dagen lang niets anders te hebben dan een stuk droog rogge-
brood , dat is toch wat te erg voor een paar oudjes zooals jelui
zijt." — //Moest ik dan gaan schooien net als zoo velen, die te
lui zijn om te werken ? Neen , dan nog liever van honger ster-
ven ," riep ze uit met zekere fierheid. — //Foei, Mie !" hernam
ik, //ZOO mag je niet spreken; wij kennen je altemaal veel te
goed om wel te weten, dat jij niet tot dat schooiersvolkje
behoort, maar van honger omkomen , Toon van gebrek laten
sterven, dat moogt gij niet, daar doet gij groot kwaad aan,
dat is zondig." De ernst, waarmee ik dit zeide, scheen haar
te treffen ; toch kon ze het denkbeeld niet verdragen van te gaan
bedelen of bedeeld te worden, en altijd kwam haar gevoel van
eigenwaarde op tegen het denkbeeld van op'één lijn te staan
met dat //schooiersvolkje".
Ik liet daarom dat onderwerp maar rusten door te vragen :
»En hoe heb je het nu?" — //O, nu zal het wel gaan," was
het antwoord ; «ik heb sedert al drie keer weer een mand
molsla gehaald , Toon krijgt weer klompen te lappen , nu het
volk aan het werk is, en gisteren zijn hem een paar vischnetjes
besteld ; over veertien dagen moet Minet lammeren en acht
dagen daarna Cosijn, dan zitten we weer dik in de melk, en