Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
want ik raakte bijna buiten adem eu moest wat uitrus-
ten. Een stomp van een knotwilg staat langs mijn weg en
daarop zet ik mij een oogenblik neer. Tm zit ik ^ of ik spring
verschrikt op: een groote vogel vliegt fladderend en ruischend
vlak langs mij heen; ik kijk in den hollen stomp, waar het
beest uit was gekomen, en vind een nest met 17 eendeneieren.
Dat was een buitenkansje. Reeds maakte ik mij gereed de
geliecle vondst in mijn mand over te pakken, toen het mij
invult, dat de eieren misschien vuil konden zijn, en wat zou
ik er dan mee doen? Ik nam dus voorzichtig een ei uit het
nest, ging er mee naar een nabijzijnde sloot en lei het zachtjes
aan ilen kant in het water. Het ei zonk naar den bodem,
het was dus schoon; dezelfde proef nam ik nog met een paar
andere eieren, ze waren alle schoon. Wat een geluk! In
een ommezien was het nest leeg en de eieren lagen tusschen
de sla in mijn mand. Nu wist ik niets meer van vermoeid-
heid en stapte terstond verder. Daar aan het eind van de waar-
den , waar ik den dijk weer opging , viel mij het klimmen toch
wat zwaar, en halfweg den oprid zet ik mij neer om nog een
oogcnblikje te rusten. Juist naast mij is een groote mols-
hoop, en onwillekeurig schop ik met mijn klomp de aarde wat
weg, zonder eenig doel. Daar valt mij tusschen de zwarte
kluiten een rond schijQe in het oog; ik raap het op , wrijf
het tusschen duim en vinger en, wie zou het kunnen denken?
ik een vijfje gevonden, Tien minuten later was ik thuis
en 'lijgde naar den adem. Toon zat treurig bij de kachel to
kijk' iJ. ,/We zijn gered, Toon!" riep ik uit, //we hebben geld
en eieren; ik heb het wel gezegd, dat onze lieve Heer ons
niet zou verlaten." En zoo gauw ik kon, liep ik naar den
put, haalde een ketel water en zette dien op de kachel. „Als
het water kookt, Toon!" zei ik, „doe er dan vier eieren in,
zacht koken hoor! neen, doe er zes in, ook twee voor de
zieke buurvrouw," en intusschen was ik al op weg om een
wittebroodje, een ons boter en voor een paar centen melk te