Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
Op het politiebureau aangeland, werd zij in eene ellendige
cel gebragt.
De onzekerheid van het lot dat haar wachtte, kwelde haar
vreeselijk, en eerst nadat hare smart zich in tranen had lucht
gegeven en zij den geheeien nacht door geweend had, zonk
zij tegen den morgen uitgeput in een diepen slaap.
Zij droomde juist zoo schoon van eene gelukkige toekomst,
van hare ouders, van een vreedzaam leven, toen zij door het
knersen der zware deur in het treurige heden teruggevoerd werd.
Ben gerechtsdienaar trad binnen en beval haar hem in de
gerechtszaal te volgen.
Met wankelende schreden was zij aan de dnur der zaal ge-
komen en verzocht hier den gerechtsdienaar, haar een oogen-
blik tijd te laten om zich een weinig te herstellen. De man
was meedoogend genoeg het haar toe te staan.
Toen opende hij de deur en Jeannette trad zuchtend, het
gelaat met beide handen bedekkende, de zaal binnen.
De uitroep„Mijn God, daar is uwe dochter !" verschrikte
haar. Zij kende de stem, het was die van Frans.
Daar zag zij ook den Franschen officier, dien zij eenigen
tijd geleden in het lazareth bij R. verpleegd had, op haar
toesnellen ; nu was geen verband om zijn doorkorven gelaat,
als destijds, en met den uitroep: „Mijne dochter!" sloot hij
haar aan zijne borst.
De gerechtspersonen herinnerden zich niet, dat immer eene
zitting zoo spoedig was geëindigd.
Vader en dochter hielden elkander lang omhelsd zonder
een woord te kunnen spreken. Toen bragten Frans en haar
vader haar naar een wagen, die voor de deur wachtte, en alle
drie reden naar het hôtel, waar de graaf logeerde.
Hier aangekomen, was er geen einde aan het verhalen,
Jeannette moest haar vader de geheele geschiedenis van haar
lijden mededeelen, en toen zij geëindigd had sloot de graaf
haar nogmaals in de armen en zeide: „Kind! God heeft u