Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
vroeg (te vrefindo. — //Als ge onze kost voor lief wilt nemen,"
antwoordde de oude landman, //wees dan welkom." — Niet lang
daarna had de officier met hulp van Erans de uniform afgelegd
en liet hij zich de opgedragen spijs voortretfelijk smaken. Nadat
hij hiermede geëindigd had. trok hij zijn stoel in den kringen
verhaalde eenige van zijne avonturen. Hij had er zoovele be-
leefd , dat allen met gespannen aandacht luisterden , en hij wel
den geheeien nacht door had kunnen vertellen , indien de huis-
vader niet herinnerd had, dat het tijd was om naar bed te gaan.
//Ach," zeide Frans tot den Fransehen officier, "om iets moet
ik u nog verzoeken, morgen kon ik het vergeten. Zie, dit
blad vond ik eens in een dorp; het is in het Fransch greschre-
ven; wilt gij zoo goed zijn het voor mij over te zetten,"
Daarbij had hij een toegevouwen papier uit eene kast genomen
en reikte het den officier over. De/-e wilde juist het blad aan-
nemen toen hij, naar de hand ziende waarmede Frans het hem
toereikte, uitriep: //mensch! van waar hebt gij dien ring, die
mijne vrouw toebehoort?" — //Hoe, uwe vrouw?" zeide Frans
verbaasd, en verhaalde hoe hij den ring bekomen had.
//O, zij is het! zij is het!" riep de officier klagend uit;
tfsedert dien dag heb ik noch mijne vrouw noch mijn kind
wcfier gezien, maar zeg mij: waarheen gingen zij?" — //Dit
kan ik u niet zeggen." — //O, mijn arme vrouw, mijn arm
kind! Gij zij t beide dood —//Neen, beide ten minsten niet,"
zeide Fraup. De officier staarde hem aan. //Hoe weet gij dat?'* —
vroeg hij. //Spreek toch, ik zal u mijn geheele leven dank-
baar zijn 1"
//Of uw dochter nog leeft," antwoordde Frans, ,/weet ik
wel niet zeker, maar het ia toch zeer waarschijnlijk/*
//Maar nog eens, zeg mij, hoe weet gij dat^"
//Zij is nog niet lang geleden hier geweest."
//Hier, in dit huis?" riep de officier op klageuden toon uit
//Mijn God, waarom hebt Gij mij niet vroeger hierheen geleid?
Mnar zfg mij, vriend! waar is zij. Koe gaat het haar?"