Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
liever mija vingers op, eer ze uil te steken om een aalmoes
te ontvangen."
Toon hoorde wel, dat ik het meende, en zei niets meer.
Toch was ik niet recht op mijn gemak en dacht er den heelen
nacht over, hoe wij toch aan eten zouden komen. Mijn besluit
was al half genomen om dan maar in vredes naam een van
de geiten te verkoopen; doch als ik er om dacht wie ik mis-
sen moest, Minet of Cosijn, dan schoten mij de tranen in de
oogen ; ik kon van geen van beiden scheiden. Eerst tegen den
morgenstond raakte ik wat aan het dommelen, en de zon scheen
al helder door de ruiten, toen ik wakker werd- Daar viel mij
iets in. /,Zou er al molsla zijn. Toon?" vroeg ik.— «Ik zou
het niet gelooven ," was het antwoord, ,/het is er nog te koud
voor gevveest."—«Ge kunt het anders niet weten," zei ik,
ffzoo diep onder het zand groeit ze al licht, als er wat natuur
in de lucht komt; ik ga er eens op uit." — En in een wip
spring ik uit het bed, maak de kachel aan en de koffie warm;
ik breek een klein stukje van het broodkorstje , week het iu de
koffie en leg het overige klaar voor Toon, als hij op zou
staan. Toen nam ik een mes en een mandje en ging welge-
moed de deur nit en de waarden op. Wel een half uur had
ik geloopen , en den eenen molshoop na den anderen platge-
schopt en omgewoeld , maar niets gevonden. Wacht, denk ik ,
daarginds aan de zuidzijde van de kade, waar de zon zoo
warm tegen schijnt, zal het beter gaan; het was nog wel een
kwartier verder, maar ik ging er toch heen. De eerste hoop
de beste was al raak, de tweede insgelijks, en in korten tijd
had ik mijn mand gepakt vol. Zoo op het oog te zien kon
ik er wel vier, vijf porties van maken, en voor elke portie
kreeg ik zeker drie of mogelijk wel vier stuivers; ik was den
koning te rijk af en had onzen lieven Heer wel op mijn
bloote knieën willen danken voor zooveel geluk. Zoo gauw
ik met mijn kromme beenen maar vooruit kon, spoedde ik
mij voort om tliuis te komen. Ik had mij echter te veel ge-