Boekgegevens
Titel: Bevattelijk onderwijs in de Nederlandsche spel- en taalkunde, voor de schooljeugd
Auteur: Wester, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, 1810
7e dr. Naar de aangenomene spelling van ... M. Siegenbeek verbeterd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9567
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202384
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bevattelijk onderwijs in de Nederlandsche spel- en taalkunde, voor de schooljeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Neäerlandfche Spel- en Taalkunde. 25
jelijker te onderfcheiden, in welke gevallen men d
of / in het einde hebben moet
Let wel! alle enkelvoudige woorden, die in het
meervoudige eene d vereifchen, moetéh ook met
d eindigen; en alle, die in het meervoudige eene
t noodig hebben, moet men ook in het enkelvoudi-
ge met eene t fluiten.
Dus (luit men de volgende enkelvoudige woor-
den met d,
daad tand ftad woord
hand pand wond hemd
rand gebed nood hond
land gebod dood mond
Want in 't meervoudige fchrijft men: daden,
handen, landen, enz en niet daten, hanten.
In tegendeel, men fluit de ondergaande enkel-
voudige woorden met t; als
haat fchat fchut pligt
maat zat put prent
flaat vat hut fluit
praat zet lint weet
kat pot vloot zweet
Wantin het meervoudige hebben zij volftrektee-
ne t noodig: men fchrijft immers: haten, maten^
Jiaten, praten; cn niet haden, Jïaden, enz.
Verder. Alle woorden, die in het einde fcherp,
van klank zijn, moeten ook met t fluiten : dus fpelt
men met t,
ziet wat zijt het ooit
niet dat dit met nooit.
Door een uaanwkourig gebruik van d of t, in het
B 3 eiii.
J