Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
weinig willende praten, doch meest om te fpotten,
vraagde hiar, of zij niet op het land had gewoond?
Ja, n.ijn heer! antwoordde de jonge jufvrouw. Dan
hebt gij ongetwijfeld daar leeren lezen? Een weinig,
hernam zij. Gij hebt zonder twijfel de gefchiedenis
van Tobias en zijnen hond gelezen, vraagde hij ver-
der f Ik heb die gelezen, zeide de andere. Dan
zult sij mij ook wel weten te zeggen, hoe de hond.
van Tobias heette ? Ja, mijn heer, gaf de jonge juf-
vrouw tot antwoord, die zoo zot nietwas, alsdeon-
beichaamde vrager meende, zijn naam was Nash^
en het was een onbefchaamde hond.
155". Thomas F., een man, die een ongemeen
verftand bezat, doch het gebrek had, dat hij zelfs
zijne beste vrienden niet verfchoonde in zijne fchimp-
dichten , eenige verzen gemaakt hebbende op de
vrouw van zijnen befchermer en weldoener, Gecr-
ge Harrifon, waarin hij haar op eene zeer befpot-
telijke wijze affchetfte, vraagde Uarrifon hem eens
om een affchrift van die verzen. Wat hebt gij met
een affchrift te doen, zeide 'lharnas F,, het is on-
noodig u dat te geven; want gij hebt immers het
originele ftuk federt lang. Eenige ftudenten eenen
geestelijken te paard ontmoetende, zeide een van hen:
O bedorven tijden! de meester reed op eenen ezel,
en de dienaar rijdt nu op een wel uitgedoschr paard!
Het is om dat de ezels fchier niet meer, te krijgen
zijn, hernam de geestelijke, wijl men er nu ftuden-
ten van maakt.
136. Een man , die den ganfchen dag in zijn huis
niet anders deed dan vloeken en zweren', en te traag
was om te werken, werd eens voor den regter ont-
boden, wegens eene zetere fchuld , die hij ontkende
gemaakt te hebben. Men vergde van hem eenen
eed. Toen hij nu evenv/ei, om zijn gemoed niet te
bezwaren, den eed niet durfde doen, zeide zijue
E ♦