Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
68 ^^
voegde Swift er bij? Juist liet tegendeel, antwoord»
de Pope.
ii:8. Een kleermaker was zoo gewend iets te delen,
als zijne kalanten een kleed bij hem lieten maken,
dat, toen hij eens een kleed voor zich zelven maakte,
hij eene halve el er van ftal; zijne vrouw zulks be-
merkende, vraagde hem de reden daarvan. O! zei-
de hij, het is ora die gewoonte te onderhouden, op.
dat ik het niet zou vergeten. Een koning van En-
geland met Killegrew, die wegens zijne geestige ge-
zegden beroemd was, in de gallerij de fchilderijen
bezigtigende, wees hem eenen gekruisten Christus.
Killegrew hield zich zeer onkundig, en vraagds, wat
die fchilderij beteekende ? De koning antwoordde
. hem: dat is onze Zaligmaker aan het kruis, en het
afbeeldfel aan de linker hand is dat van Cromwel,
en dat ter regter is het mijne. Ik bedank uwe majefteit
voor de onderrigting, hernam Killegrew; ik heb wel
dikwijls gehoord , dat onze Zaligmaker tusfchen
twee dieven gekruist was, maar ik heb ze te voren
nooit gekend.
129. Zeker heer bij eenen vriend aan tafel zijnde,
werd er voor het eerlie geregt, onder anderen, visch
opgebragt. De lugt van de visch deed hem bemer-
ken , dat dezelve niet zeer versch was. Hij nam den
fchotel op, hield zijnen mond aan den kop van eenen
visch, en deed, als of hij denzelven iets inluisterde,
waarna hij den fchotel weer op zigne plaats zette. De
gastheer vraagde hem, waarom hij zulks deed. De
andere verhaalde hem , dat hij voor eenige dagen een
broeder op zee verloren had, en dat hij den visch
had gevraagd, of hij ook eenige tijding van hem
wist. En wat antwoord heeft de visch u gegeven ?
zeide de gaetheer. Hij verhaalde mij, zeide deze
wederom, dat hij mij niets van hem kon zeggen,