Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
der zich eenigzins te ontroeren: Speel m*ar voort,
114. Een luitenant onder het regiment van . . . ,
die de lafhartigheid gehad had, zich tweemaal ia ee-
ne week rottingflagen te laten geven, zonder eens
den degen te trekken, bezat evenwel glorie genoeg,
om zich zelven, kort na dit voorval, ais een groot ge-
neraal, met een heldhaftig wezen en eenen ftokofltaf
van kommando in de hand, te laten uitfchilderen.
Toen het ftuk voltooid was, verzocht hij verfcheiden
goede vrienden, op eenen avond, om hetaelve te
kamen zien; ieder prees de kunst, en vooral de groots-
heid van de ordonnantie; eene jonge Juffer van 't ge-
zelfchap zeide op hare beurt: Ik voor mij vind die
ordonnantie heel nederig: want zit is gevolgd naar de
oude afbeeldingen der 'Martelaren , «ie gemeenlijk
de werktuigen, daar zij door geleden hebben, in de
hand houden.
115. Ue Heer S...., te Amfterdam, het dolhuis
beziende, vond daar eenen, die hem niet alleen zeer
zachtzinnig voorkwam, maar ook, volgens zijne ge-
dachten , al te wel redeneerde, om, tegen zijnen zin ,
daar langer te huisvesten, 't welk de oorzaak was,
dat de nieuwsgierigheid hem drong, om te vragen,
welke de redenen waren, dat hij daar moest zitten,
en wat de oorzaak van zijn ongeluk was? Waar op
de ander antwoordde: de kwaal, om dewelke men
mij hier heeft doen zetten, mijn heer! noemt men
in lieden van aanzien, k«ade dampen; maar, in ge-
meene menfchen, noemt men ze zotheid. Een ge-
neesheer , die tegen eenen zieken , die hoe langer hoe
erger wierd, telkens zeide, dat hij hem beter bevond,
kreeg ten laatften van den zieken tot antwoord: Ik
gelotf, gij meent beter voor mijne erfgenamen.
116. De dichter Theophilus had een boek aan Ja-
cobus den I., koning van Engeland, opgedragen, en
verbeeldde zich, dat de koiiitig van zijne geleerdheid