Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
de het wel leeren. De keizer zeide, neem het bij den
ftaair, en gij zult bevinden, dat het niet meer zal
fchre^nwfi!. De boer deed het en bevond, dat de
keizer gelijk had, zeggende met een: voorzeker, gij
moet dat werk langer gedaan hebben dan ik, v«pant
gij verflaat het beter.
107. Op eene begrafenis was onlangs een oud ver-
maard advokaat voor een' jong' fecretaris op de lijst
gefteld. Als des advokaats naam gelezen werd, wil-
de hij volgen, maar de fecretaris hield hem bij den
mantel, zeggende: gij zijt geen fecretaris, ik moet
voor gaan. De advokaat liet hem voorbij treden, en
vraagde overluid, eer hij volgde: zijn er nog eenige
fecretarisfen onder de vi ienden, die voor mij gaan
moeten? Zoo wordt den metflen tijdeen ingebeelde
gek befpnttelijk ten toon gefield, want, in plaais van
eere, die deze bedoelde, behaalde hij fchande, de-
wijl hy van elk befpot werd.
i®8. ßacan zegt ergens zeer wel, dat het geld
een goed dienaar, maar een kwaad meester is. En
op eene andere plaats, dat de deugd eene inwendige
fchoonheid is , en de fchoonheid eene uitwendige
deugd. En nog op eene derde plaats, dat het een
groot geluk is, als men weinig té hopen, en veel
te vreezen heeft. De koning Alphonft/s zeide tegen
eenen hoveling, die zeer hebzuchtig was, en hein
verhaalde, dat hij 's nachts gedroomd had, dat de
konirg hem een groot gefchenk gedaan had: een
goed Christen mnt't op geen droomen acht geven,
Paulus zegt; Die geen die eerst begonnen heeft
wel te docH, moet daar in volharde» , want de
weldaden worden ras vergeten.
«09. In eene vermaarde ftad was bet bakkers gild,
jalriersch 2i.iTii'e, omdat al de anderen ieder hunnen
patr ion hadden, verfcheiden malen vergaderd, om
er voor hun ook eeaen te kiezen, maar zij kondan