Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
omdat hij nat was, barfte dus uit: Ik wedde bij
mijn.....dat mijn volk vergeten heeft, mij mijnen
mantel te geven, als of de Gaskonjer niet gemerkt
had, eer dat anderen hem zoo fterk aanzagen, dat hij
zonder mantel was.
1C2. Tw^e hovelingen, die in 't veld gingen wan-
delen, zagen da?r eenen boer' die bezig was met
zijnen ezel op eene zeer harde wiize met ftokflagen
te mishandelen ; zij, door medoogendheid geraakt,
zeiden tegen den boer: Gij zyt wel wreed, pp die
wijze een beest te handelen. De boer, zijnen hoed
beleefdelijk afnemende, keerde zich naar zynen e-
zel, en zeide: heer ezel! ik bid u om vergiffenis, ik
wist niet, dat gy vrienden ten hove hadt. Een an-
der hoveling ontmoette eenen Duitfcher, die we]
naar eenen kamerdienaar van eenen ridder der droe*
vige figuur geleek, en vraagde hem: Aan wien behoort
gij, mijn heer ? Aan mij zeiven, antwoordde de ailder.
Dan hebt gij eenen gek totmeester, zeide de hoveling.
105. Een jong advokiat, die vroeg op de hooge
fchole gekomen , en fchielijk daar van afgegaan
was, ep eenen tijd, buiten den Hage, met eenen
prokureur, die vrij bedaagd was, en niet fprak, dan
wanneer het te pas kwam, eene vyandeling doende,
£11 bemerkende, dat de prokureur met zijne redene-
ringen weinig in zijnen fchik was, wilde hem eenen
fteek daarover geven, met te zeggen; Het is niet
onvermakelijk met eenen gek te wandelen. Dat heb
ik altijd öok gedacht, hernam de ander, maar nu vind
ik tot mijn leedwezen grootelijks het tegendeel. Een
jong marquis , die zeer losbandig leefde, berispte
eenen zijner vrienden, dat hij zich zeiven te veel aan
de letteroefening overgaf. Deze antwoordde : Ik
bemin de boeken, omdat dit gezelfchap mij meer
behaagt dan het uwe.
104. Dat men voor zijne kinderen een beroep mo.et