Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
van anderen, en verwijten liunne gebreken, omdat
zij hunne eigen niet kennen.
99. Wij zullen nog eenige fnorkerijen verhalen;
doch eerst moeten wij het geval van eenen arts met
eenen krijgsoverflen hier plaatfL-ri. Deze Officier,
die een groot foldaat was, lag aan eene zwaare ziek-
te. Zijne vrienden haalden eenen arts bij hem. Zoo
als de zieke hem ter kamer in zag k«meu, vraagde
hij: Wie komt daar? De arts antwoordde zelf: ik
ben de geneesheer. De zieke dat hoorende, zeide:
Al waart gij de duiyel, ik wil u geen kwartier vra^
gen. De volgende fnorkerij verdient waarlijk eene
der voornaamde plaatfen.
ICO. Een Gaskonjer ichoot, in eene fchermutfe-
ling, op zijnen vijand, en gaf voor, dat hij den man
ter neder geveld had. Een zijner vrienden, welke
naast hem was, zei.Ie: Ik zie den man niet liggen.
Dat' geloof ik wel, antw jordde de Gaskonjer, want
ik heb hem tot Hof gefch'iten. Een ander zvvetfte
ook niet weinig. In eene herberg eenen Duitfcher
h'iorende breed opgeven van twee wisfelbrieven, die
hij had ontvangen, en dit fnorken hem vervelende,
begon hij naar de wijze van zijnen landaard, zelf
de rol van eenen opfnijder te fpelen, zeggende: Als
ik wisfclbritven o'itvang^ krüg ik altijd een riem
papier tcjj'ens, of ik netm die niet aan. Wat zou
van den zwetfer worden, als men verpligt was, te
doen, al wat men zegt.
101. Met den roem van een* jong' foldaat viel het
(legt uit; deze roemde, dat hij eenen Franschman
de beenen bad afgehouwen. Een and.r zeide: dat
het beter ware geweest, hem den kop gekloofd te
hebben. Dat had efn anHer, zeide de held, reeds
gedaan, eer ik kwam Een ander zwetfer op zijn
gemak door eenen zwaren regen gaande, en zien-
de , di!,t füiamige menfchen het oog op hem Jiadden,
D 4