Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
wiisgeer en redanaar over een zeker woord, d«t zelfs
in Cicero ftond : doch Favarinus verdedigde zijn zeg»
gen niet in 't allerminfte; maar gebruikte het woord
't welk de keizer hem zeide. Als daarna de hovelin-
gen er zich over verwonderden, dat hij zich eene feil
zonder grond had laten opdringen, gaf die verdasdi-
ge man tot antwoord: Gij moet u in 't geheel niei
verwonderen, dat ik mij onderwerp aan eenen per-
foon, die over dertig legioenen het bevel beeft.
90, De maarfchalk van Cesfé werd onder Karelie,TX
IX. tot opper-opzigter over 's konings kamer aange-
fteld. Een jaar daar na ging de gemalin des maar-
fchalks bij de koninginne moeder, Catharina de Mt'
óicis, hare opwachting maken, en zeide, met ee-
ne al te groote openhartigheid : „ Mijn man en ik
„ hebben groote reden om God te bidden voor het
„ leven van uwe majefteit ; want federt dat miin mati
,, kamer-prefident geweest is, hebben wij reeds over
„ de 200C00 rijksdaalders aan fchulden afbetaald,
„ en daarenboven nog een aanzienlijk landgoed aan-
,, gekocht." De maarfchalk, wien het hof beter be-
kend was , veroordeelde, van dat oogenblik af,
zijne goedhartige gemalin op zijn nieuw landgoed,
en bragt ze nooit weder aan 't hof. Plet is niet gned
al te openharwg te zijn ; men moet weten te zwijgen
en te fpreken op zijnen tijd, anders ligt men bloot,
zaken te verhalen, over dewelken men naderhand
fjroot berouw zou hebben, die ruchtbaar gemaakt te
hebben.
91. Âlexander de Grtote had, ik weet niet om
wat reden, eenen van zijne bedienden van een hoog
ambt töt een laag vernederd. De ambtenaar was er
volkomen mede vergenoegd; maar eei ige tijd verloo-
pen zijnde, vraagde hem de koning, hoe hem zijne
nieuwe bediening behaagde? „Zeer wel," antwoord-
de hy op eene óotmoedige wijze, „ om w»t redea
D 3