Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
^^ 32
waarlijk dit is niets, in vergelijking van hetgeen ik
gehoord heb. Wat zegt gij! Ja zeker! ik zal doen ,
al wat u believen zal. Stil! ftil! weest zoo haastig
niet! Goed ! goed ! ga maar voort! Zie zoo! dat gaat
wel. Ik 1 ik zou tot zulk verraad in ftaat zijn ! Ach !
mijn vriend! zoudt gij ooit geloofd hebben, dat hij
fnood genoeg zou geweest zijn, om zulke pogingen
in 't werk te ftellen. Zoetjes, vrienden! dat gaat zoo
niet, men moet er zoo met de breede bijl niet inhak-
ken. Eilieve! overweeg eens het gevaar, in het
welk gij u ftort! o deugd welk een vermaak verfchaft
gij dengenen, die u bemint!
Om den noemer ^ het werkwoord, en deszelfs naam'
val te kennen^ en dien te fchikken.
.50. Éen wi s man zal de deugd beminnen. Ik zie
daar ginds eenen man , die in mijnen tuin gewerkt
heeft. Wij moeten de armen niet verachten ; maar wij
moeten hen onderfteunen. Het kwaad loont zijnen
meester. Wij hebben er een voorbeeld van in Peril'
lus: deze had eenen metalen ftier gemaakt voor den
tijran Phalaris; wanneer men iemand in den buik
van den ftier floot, en er vuur onder ftookte, ver-
oorzaakte hÉt kermen van zulk een' mensch een ge-
luid , even als dat van eenen levenden ftier. Phala-
ris nam er de proef van aan Perillus, door hem er
in te doen werpen, en bewaarheedde dus ook eenig-
zins de fprcuk: Die eenen kuil voor een" ander graaft
yalt er zelfs in. Het geluk des oorlogs is, zonder te-
genfpraak, het fchoonfte van alle. Indien de ge-
varen groot en menigvuldig zijn , de eer , die er
uit voortfpruit, overtreft dezelven. Deze voorrede
begrijpt het ontwerp en de beweegredenen van alle
de deelen dezer verhandeling. Het Evangelie is de
uiterfte wil van een' waar Christen. Als ik eenen
voorfpraak verkies, zoek ik dea bekwaamften. Als