Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
31 ^^
dat ten ainzien van z^uen vader, en niel ten ziinen
gevaïie. Waar woont hij tegenwoordig? Hij heeft
zijn huis digt bij het (ladhujs, tegen over hec hof
van Holland; maar hij is tiians uit de (lad. Verre
van vergenoegd te zijn, is hij zeer Hecht voldaan.
Uit^^enooien iiem te dooden, kon hij niet erger doen.
Een ontvanger heeft altijd zijn geld voor zich. Ziet
voor u, dat gij niet ftruikelt> Als ik eens achter hcia
heen kom, zal hij er van fmaktn.
Over d& l^oegwoordcn,
- 48. Het regent zelden als het vriest. Men ziet
baar aan , omdat zij fchoon is. Het is of de zon, of
de anrde, die draait. Hij had het mij vastelijk beloofd ,
en echter doet hij het niet. Hij is siet ailecn een zeer
eerlijk man; maar hQ is ook aangenaam in den om-
gang. Men moet ten minde zijne eigen taal ken-
nen. Ik zou wel gekomen zijn; maar ik had den
tijd niet. ' Hij zal nooit weten, of ik hem acht. Gij
zult gered worden, op voorwaarde, dat gij zult doen ,
200 als ik u zeg. Verwacht niets van mij, vermits gij
niet vv'ijs genoeg xijt. Hij kwam _ in Frankriik, om
dat hij in Engeland niet zeker was. Men moet wer-
ken, terwijl men jong is. Gelijk de nachtuil de zon
vreest, alzoo vliedt de zondaar het licht. Ik wil u niets
bevelen, dan alleen, fomtiids aan mij te denken.
Waarom valt hij ook iemand, die hem nv:t$ zegt,
meti woorden aan? Zijtï eigen belang verpligt hem
daartoe; voegt daarbij, dat zijn geweten er eeniger
wij^e toe verbonden is.
Over de Tusfchenrnrpfehé
4Q. O Hemel' alles is verloren! o rampzalig lot-
geval! Wakker foldaten, de vijand is aan ons! Ei!
2ie eens, wat de deu9:d vermag! Eilaas! kan ik
aónder u in de wer-cld vergenoegd leveii! Ach!