Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
nog te bed was. Men zou ze zien vergaan, dat men
heil niet zou helpen. Waarom doet gij niet het geen
gij zegt? Hoe gaarn zou ik u volgen.
25. Wanneer zult gij naar de kerk gaan ? Ik ga
er aanftonds-naar toe. De dag eindigt niet in de ver-
blijfplaats der gelukzaligen, de nacht zelfs is er onbe-
kend. Gij doet het, omdat gij er vermaak in vindt.
Denkt gij wel om uwe zaken ? Ja, ik denk er dik-
wijls om. Indien gij behagen fchept in het lezen van
goede boeken, ik fchep er. ook behagen in. Indien
gij niet wilt bedrogen uitkomen , denkt er bijtijds om.
Zoo hij er u van fprak , kunt gij hem antwoorden, dat
gij er niets van hebt gehoord. Hij heeft zich in eene
netelige zaak. gedoken; hij zal er niet in gelukken.
Wij komen uit de kerk. Wij 'komen er ook uit Gij
hebt dat wel gedaan; maar denk vrij, dat gij er nm
geftraft zult wórden. Wat dunkt u er van ? Ik kan
er niets van zeggen. Wi t gij er wat van hebben ?
Ik heb er reeds van. Die zijne landen bebouwt, zal
er de vruchten van inzamelen. Schat het verlies, dat
uw vriend geleden heeft, niet naar de tranen, die
hij er rwer dort; de grootde ünerten gaan derzelver
uiterlijke teekens te hoven.
26. Zyt gij de meester van het huis? Ja ik ben het,
Zyt gij de dochter van meester Jakob? j'a ik ben het.
Zijt gij een Franschman, .mijn heer? ja ik ben het.
Zijt gij eene Franfche, mejufvrouwV Ja'ik ben het.
Zijt gij Engelfchen, mijne heeren? Ja wij zijn het.
Daar is een tyd, in denvvelken dê reden zich ontdekt.
Er zyn dagen , gedurende dewelken de Christenen
gódsdiendig zijn. Het hof is een fchouwtooneel,
waarop de fortuin wonderlijke dukken fpeelt. Dit
zijn de klippen, tegen dewelken de waarheid fchip-
breuk lijdt. Dezen erinnercn zich, vanwaar zij geko-
men zijn. Ik vlied de plaats , in dewelke de ondeugd
geëerd wordt. De lieden, die zich fchikkeu om-iii de
■ 7 •