Boekgegevens
Titel: Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Auteur: Winkelman, O.R.F.W.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1817
9e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9484
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202361
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Themata of oefeningen over de verscheiden rede-deelen, volgens de woordschikking der Fransche tale: waar achter gevoegd zyn algemeene grond-regelen dier tale, voorgesteld in vragen en antwoorden, geschikt voor Fransche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
Jlaag. Ik beklaag hen zeer. Mijn huurman bedroeft
zich zeer over zijne kinderen, omdat zij altijd hun-
nen kwaden gang gaan: alle de vermaningen, die
hij hen geeft, zijn zoo vele woorden in den wind;
zij letten niet op hel geen men hun zegt: zij fpotten
wet den besten raad, dien men hen geeft. De mis-
daad , om dewelke men zegt, dat hij ter dood ver-
oordeeld is , heeft hij nooit bedreven. Zijnen misflag
te bekennen , is reeds halve betering.
«O. De nalitur maakt de verdiensten, en het goed
geluk ftelt die tewerk. Hoe meer men zoekt naar ach-
ting, hoe minder men die vindt; Het goed geluk
maakt de vleijers, en de tegenfpoed maakt ze bekend.
Zoo zekere ongeregeldheden fierlijk zijn in ondicht,
zijn zij het nog meer in dicht. De wijze onderwerpt
zijne drift en zijne begeerten aan den wille Gods.
Dit paleis, dit huis, deze tuinen, deze wateren be-
koren u. Deze kleine verliezen verpligttenAlexander,
zijne troepen te verdeelen. Dan zegt gij, laten wij op-
ftaan, dan weer, laten wij niet opllaan; ondertus-
fchen vliedt de tijd weg als eene fchaduwe, en gij denkt
niet, dat de verloren tijd niet weder wordt gevonden;
ftort dan, bid ik u, u zelven niet in het nakend ge-
vaar , door uwe achteloosheid en traagheid; maar weet,
dat de onverfchilligheid eene dubbelzinnige hoedanig-
heid is.
21. Het is wel gedaan van u, dat gij Uwen vriend
geld geleend hebt, om zijne zaken voort te zetten;
maar het is kwalijk gedaan van hem, dat hij het u
niet weer geeft, dewijl hij het heeft. Het is goed,
dat gij gekomen-zijt, ik wachteu met ongeduld. Het
zal met ons zijn, dat gij gaan zult, daar gij nooit
geweest zijt. Het is billijk, dat gij uwen broeder
medebrengt. Hebt gij geen boek meêgebragt Hebt
gij geld bij u, om den fchipper te beialyj ? Zulk rja