Boekgegevens
Titel: Sammlung holländischer Prosastücke zum Übersetzen ins Deutsche: nebst Uebungen für die oberen Klassen höherer Lehranstalten
Auteur: Wesseldijk, G.
Uitgave: Harlem: W.C. de Graaff, ca. 1884 *
2. Aufl; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9503
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202352
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Proza (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sammlung holländischer Prosastücke zum Übersetzen ins Deutsche: nebst Uebungen für die oberen Klassen höherer Lehranstalten
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
zoo druk^^ met^* het bedienen^» zijner gasten, dat hij niet
bemerkte, hoe zijn akker werd leeggeplukt. Zoo volgde
het®" eene feest het andere.
Eindelijk kwam de tijd des oogstes. De boer riep zijn knech-
ten en de vrouw haar maagden. »Komt," zeiden zij, »maakt^^^
u gereed. De tijd des oogstes is daar. Het graan is rijp."
»Maar waar zullen wij oogsten?" vroegen de knechten en
maagden, »de akker is kaal, alle halmen zijn geplukt om
den drank te bereiden , die vroolijkheid wekt."
De boer ging naar zijn akker en zag. Het land was kaal,
de halmen waren afgeplukt, slechts hier en daar was een
enkele blijven*" staan.
Toen weende hij, en was diep bedroefd en de tranen
biggelden*'' hem langs de wangen.
Daar lag nu de akker geheel woest en ledig, die vol had
gestaan met halmen van*® zeven*® aren*®. Nu kon hij geen
tweeden akker koopen of zijn huis bouwen. De winter stond
voor de deur en hij zou geen handvol meel hebben om
brood te bakken. Zijn vrouw stond naast hem en wrong
de handen van spijt en teleurstelling, maar zij had geen woord
om*® hem te troosten.*®
Zoo kwam de avond. De ondergaande zon scheen®" over®"
de dorre stoppels en over®" de akkers, die vol®' halmen
stonden en de boer zag haar na met een traan in het oog.
Daar klonk een akelige lach — en de vreemdeling met
den langen, rooden mantel stond naast hem.
»Wat scheelt er aan ?"®2 vroeg hij.
»Ach T' riep de boer uit, »mijn akker, die eenmaal vol®®
stond®® met halmen van zeven aren is geheel leeg geplukt,
en dezen winter zal ik geen handvol meel hebben om brood
te bakken."
r)alten. " beê grofteS. " btr.
" ^art. ^erf. befd^eincn. prangen.
" fließen. '' „»oüer" mit ©enit.
fiebenä^rig. unorgan. für,, tjofl
ber,"