Boekgegevens
Titel: Sammlung holländischer Prosastücke zum Übersetzen ins Deutsche: nebst Uebungen für die oberen Klassen höherer Lehranstalten
Auteur: Wesseldijk, G.
Uitgave: Harlem: W.C. de Graaff, ca. 1884 *
2. Aufl; 1e dr.: 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9503
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202352
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Proza (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sammlung holländischer Prosastücke zum Übersetzen ins Deutsche: nebst Uebungen für die oberen Klassen höherer Lehranstalten
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
ik dezen sluit®® , moet ik nog even je aandacht verzoeken
voor het verhaal eener noodlottige gebeurtenis.
Gij hebt in der tijd^^ hier den Heer P. gekend, den
vriend van Otto. Bij het jagershuisje^^ in een berkenboschje
op onzen schoonen Karlsberg hebben wandelaars het lijk
van een goed gekleeden man gevonden, hetwelk met ijzel
en sneeuw bedekt, schijnbaar^® reeds vele dagen daar
gelegen had. De burgemeester en de dokter, die er bijge-
roepen waren^®, hebben in hem den Heer P. herkend. Uit-
wendig waren geene teekenen'^'' omtrent de oorzaak van zijn
dood te ontdekken. Men denkt hier algemeen het ergste'^®.
Met den (o.) hartelijksten groet als altijd uw toegenegen''®
KAREL.
" »fc^Iuß. " gorftl)au«. ätbjdc^en.
feiner ^^ anf^einenb. ®® baS ®(?hlimmfte.
jur 3eit. ^erjugerufen alê ergeben.
borgeftelïteê Slbjeft.
Oefeningen over het werkwoord.
einbiegen, ingaan, (©tro^e) vou- ertoffen, kwijt schelden, schen-
wen (b. e. Srief). ken.
fi^ öerfriec^en, (mit Drtêbeftim^ eintenfen, op zijn onderwerp
mung) wegkruipen. terugkomen,
unterbreiten, aanbieden, voor- fic^ »erlaufen, (SSoIfSmenge, SSaf=
leggen (ter beoord. of goed- fer) uiteenloopen, wegloopen.
keuring). fic^ oereinboren, overeenkomen,
»erfahren, te werk gaan, fi{^ üergriffen, uitverkocht.
»erfahren, verkeerd rijden. Bertteben, dichtplakken.
fi(^ ber^eben, zich vertillen. nerfärben, verschieten,
berlegen, verplaa,tsen, over- einftellen, staken.
brengen (b. e. ©ef^äft). fic§ einftellen, (ergens) verschij-
nen.
De halmen met zeven aren.
»Ja", zei de vreemdeling, »het water is een hatelijk'ding,
en ik drink het ook niet graag, het is me te flauw^."
' berußt. Sïgt. gepffig en ^äßfid). ^ gefc^macftoê.