Boekgegevens
Titel: Rekenboek voor de lagere school
Deel: 8e stukje
Auteur: Walda, R.H.
Uitgave: Sneek: J. Campen, 1895 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9306
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202311
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenboek voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
40 ' '
10 stuks er van, maar verkocht de overige voor 1 gld
het snees. Indien hij zoodoende nog evenveel geld
maakte, als hij eerst hoopte, vraagt men het getal eieren,
dat hij gekocht had.
6. Twee jongens hebben bij 't begin van 't spel evenveel
knikkers. Bij het einde er van heeft de een Ve van de
knikkers zijns makkers gewonnen en bezit nu 70. Hoe-
veel had ieder er eerst?
7. A en B deelen f 350. Wanneer 2^4 maal het negende
deel van hetgeen A ontvangt evenveel bedraagt als 3 Va
maal het tiende deel van wat B verkrijgt, vraagt men
het aandeel van B.
8. Als iemand jaarlijks f 1125 uitgeeft, houdt hij van zijn
inkomen nog ö'/i^/o over. Hoe groot is dat jaarlijksch
inkomen?
9. Een rentenier zette eene geldsom 5 maanden uit naar
4®/o 's jaars. Hij ontving aan kapitaal en interest f 686,25
terug. Bereken de grootte der geldsom.
10. In eene weide loopen eenige schapen en ganzen. Als
die dieren, samen 23 in getal, 70 pooten hebben, hoe-
veel ganzen zijn er dan bij?
11. Een koopman had voor driejaar een kapitaal tegen 5 "/o
's jaars geleend, onder voorwaarde, den interest jaarlijks
bij 't kapitaal te voegen. Wanneer hij nu f 926,10 moest
terugbetalen, vraagt men de grootte der geleende som?
12. Een snees eieren kost 95 cent. Dat is 19 stuivers. Dus
kosten 4 eieren 19 ct en 1 ei 19 ct : 4 = 4^/4 ct. Ver-
klaar deze »manier" van rekenen eens!
13. B kan zeker stuk werk in 16 dagen doen. Toen B en
C er samen 4 dagen aan gewerkt hadden, maakte C de