Boekgegevens
Titel: Rekenboek voor de lagere school
Deel: 8e stukje
Auteur: Walda, R.H.
Uitgave: Sneek: J. Campen, 1895 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9306
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202311
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenboek voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
20. Vier getallen zijn samen 200. Het tweede getal is 10
grooter dan het eerste, het derde 20 grooter dan het
tweede en het vierde 80 grooter dan het derde. Bere-
ken het eerste der getallen.
AFDEEEING IV.
§ 1.
1. Er zijn drie getallen. Het eerste is van hunne som,
het tweede is op de som driemaal begrepen. Welk deel
is het derde er van?
2. En wijnhandelaar kocht 80 L wijn a 60 ct, 40 L a 82,5
ct en eenige L a 90 ct den L. Hij mengt die ondereen
en verkoopt ze tegen 96 ct den L, waardoor hij 20"!^
winst maakt. Hoeveel L van 90 ct was er?
3. Hoeveel KG rijst van 22 ct per KG moet men bij 80
KG van f 0,25 per KG voegen, om rijst van 24 ct per
KG te verkrijgen?
4. A kan een werk in 10, B in 12 en C in 15 dagen doen.
Als zij het samen verrichten voor f 22,50, hoeyeel komt
A dan daarvan toe?
5. Een rentenier zet ^/j van een kapitaal uit a 5Vo en de
rest a SVd^/o 's jaars. Wanneer hij jaarlijks / 180 in-
terest ontvangt, vraagt men naar de grootte van het
kapitaal.
6. Van een opgaande deeling staat de deeler tot het quo-
tiënt als 3 tot 4. Als hun verschil 24 bedraagt, vraagt
men naar het deeltal.
7. Iemand verliest op eene partij goederen 4Va®/o' Had