Boekgegevens
Titel: Rekenboek voor de lagere school
Deel: 8e stukje
Auteur: Walda, R.H.
Uitgave: Sneek: J. Campen, 1895 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9306
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202311
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenboek voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
§ 5.
1. Verdeel het getal 1180 in drie deelen, a, b en c zoo-
danig, dat a:b = 3:4enb:c = 5:6.
Hoe groot is a dan wel?
2. A, B en C hebben elk eene geldsom uitstaan. Het geld
van A verhoudt zich tot dat van B als van 5 tot 6, en
het geld van B is van dat van C ^/g deel. Hoe staan
nu de geldsommen van A en C tot elkander?
3. Een hoop steenen is zoo opgestapeld, dat men 50 stee-
nen in de lengte, 24 in de breedte en 20 in de hoogte
telt. Om meer ruimte te verkrijgen, neemt men er in
de lengte 10 steenen af en stapelt die er boven op.
Hoeveel steenen werd de hoop nu hoog?
4. Anderhalf KG zuiver goud wordt vermengd met 5 HG
koper. Van welk gehalte wordt nu het goud ?
5. Bereken: x 3% (7Va - 3,75).
6. Van eene reeks getallen, die met 4 opklimmen, is het
eerste 4 en het laatste 100. Bereken hunne som.
7. Een winkelier verkocht 2 kistjes suiker, ieder wegende
12^2 KG, met 5 gld winst. Had hij ze voor 54 ct per
KG verkocht, dan zou hij 107o verloren hebben. Be-
reken den verkoopsprijs.
8. Het quotiënt van 2 breuken is ^/j en hare som is l^/^.
Welk is haar verschil?
9. Jan heeft viermaal zooveel knikkers als Piet. Geeft hij
dezen 20, dan staat zijn aantal tot dat van Piet als 2
tot 3. Hoeveel heeft hij?
10. Als een rentenier het kapitaal, dat hij tegen 4'/2''/o heeft
uitstaan, tegen 4Vo had uitgezet, zou de jaarlijksche