Boekgegevens
Titel: Rekenboek voor de lagere school
Deel: 8e stukje
Auteur: Walda, R.H.
Uitgave: Sneek: J. Campen, 1895 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9306
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202311
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Rekenboek voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
koop. Hoeveel percent is dit van den inkoop ?
12. Een heer zet twee kapitalen uit : het kleinste dat Y3 van
't grootste is, tegen 4''/o en het grootste tegen S'/a^/o-
Als ze per jaar samen f 740 opbrengen, vraagt men
naar het grootste kapitaal.
13. De knikkers van Jan verhouden zich tot die van Piet als
5 tot 7. Nadat de laatste aan den eerste 8 knikkers
heeft verloren, is de verhouding als 7 tot 5. Hoeveel
had ieder ?
14. Als men van het grootste van twee getallen het ver-
schil der twee getallen afneemt, verkrijgt men 36; deelt
men hun verschil op het grootste, dan is het quotiënt
5. Men vraagt de beide getallen.
15. Wanneer men een getal door 10 deelt, is de rest 5.
Welke zal de rest zijn, als men het 8-voud van dit ge-
tal door 10 deelt?
16. C moet over eenige maanden f 1332,50 betalen. Om-
dat hij dadelijk betaalt, geniet hij naar 6®/o 's jaars
rabat en kan met / 1300 voldoen. Na, hoeveel tijd
moest hij betalen ?
17. Iemand zet uit / 850 ä 4»/o en / 900 ä 's jaars.
Na hoeveel tijd zal hij aan kapitaal en interest /1798,625
te vorderen hebben ?
18. Bereken het oppervlak van een kubus, waarvan de rib-
ben samen 15 dM lang zijn.
19. Wanneer men bij den teller van ''/g eens IV4 telt, hoe-
veel moet dan bij den noemer gevoegd, zal de breuk in
waarde gelijk blijven ?
20. Twee getallen zijn sam.en 270. Hun verschil is viermaal
op het kleinste begrepen. Welke getallen zijn het?