Boekgegevens
Titel: Eerste onderrigt in de natuurlijke lees-leerwijze
Deel: 6e stukje
Auteur: Vries, J.J. de
Uitgave: Leeuwarden: U. Proost, 1858
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9261
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202291
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste onderrigt in de natuurlijke lees-leerwijze
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
27. Ver-volg.
Toen Lol-je dood was, schrei-den haar
Va-der en ha-re Moe-der bit-ter. Die
goe-de ou-ders wa-ren door en door
be-droefd; om-dat zij hun lief kind
op zulk ee-ne jam-mer-lij-ke wij-ze
kwa-men te ver-lie-zen.
Baas Harm, de tim-mer-man, maak-
te een kist-je, en daar werd Lot-je in-
ge-Iegd. Koud als ijs lag zij daar,
on-be-we-ge-lijk en met de oog-jes
ge-slo-ten. Klaas, de dood-gra-ver,
maak-te een diep graf, waar-in men
het kist-je ne-der-zet-te. Toen kwam
daar zwar-te aar-de op, en — het goe-
de Lol-je lag in het kou-de, don-ke-re
graf. Nooit komt zij weêr bij haar' Va-
der en Moe-der; nooit kan zij weêr
spe-len, dan-sen en sprin-gen.
O, Mij-ne lief-jes, weest al-tijd voor-
zig-tig, en steekt nim-mer spel-den
in den mond!
Weest voor-zig-tig, braaf en goed.
Op dat u'geen kwaad ont-raoet.