Boekgegevens
Titel: Eerste onderrigt in de natuurlijke lees-leerwijze
Deel: 6e stukje
Auteur: Vries, J.J. de
Uitgave: Leeuwarden: U. Proost, 1858
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9261
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202291
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste onderrigt in de natuurlijke lees-leerwijze
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
17. De herfst.
Ik wil-de wel, dat het al-tijd zó-mer
was, zei de klei-ne Pau-his té-gen zij-
nen Va-der; want in den zó-mer zijn de
da-gen lang,hetwé-der is aan-ge-naam
en wij pluk-ken bloe-men in het veld.—
Gij hebt ge-lijk, mijn kind! sprak de Va-
der. De da-gen zijn nü veel kor-ter, dan
indenzó-mer,enhetwé-derwordtkoud
en guur. Maar de herfst schenkt toch
veel, dat öns de zó-mer niet gé-ven kan.
De rij-pe ap-pels zijn ge-plukt; wortels,
kool, ra-pen en aard-ap-pels lig-genin
den kei-der, en gis-ter heb-ben wij ee-
ne vet-te koe ge-slagt. Dé-zen mor-
gen hieuw de sla-ger de koe af en zet-
te hetvleeschindekuip. Van al dé-zen
voor-raad hó-pen wij in den win-ter
lek-ker te é-ten.
ó, Riep Pau-liis, nüzie ik dui-de-lijk,
dat ook de herfst nut-tig en ver-
ma-ke-lijk is.