Boekgegevens
Titel: Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Auteur: Verwey, Bernardus
Uitgave: Amsterdam, Deventer en Leiden: Frederik Muller, A.H. de Lange en A.W. Sijthoff, 1857
Maatschappij: Tot nut van 't algemeen
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9208
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202277
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
G E S C n i K i) E N i s. 45
men had aangeslelcl, die voor alsnog inJ-d. W.
het bestuur bleven, verkoos hij echter ^508—
daarnevens tot zijn' opvolger, en Algemeen
Opperhoofd over het geheele volk, den bra-
ven jozüA. — Nu klom mozes op denJ- 2547.
berg Nebo, om van daar het schoone Ka-
naan, waarin hij niet mogt komen, over
fe zien, en stierf, als in de nabijheid van
den Hemel, oud geworden zijnde honderd
en twintig jaar. — In hel Land van Moab
begraven, heeft men echter zijn graf in het
vervolg niel geweten.
Mozes was, ongetwijfeld, een groot
man: — behalve één blijk van een, in
zijne betrekking onverschoonlijk, wantrou-
wen , bleef hij altijd deugdzaam en gods-
dienstig. — Hij wist met een taai geduld
de gedurige ontevredenheid van zijn volk
te stillen, en regeerde het met de groot-
ste wijsheid. — Onderwezen in de diepste
gronden der wijsheid van die lijden, —
op eene buitengewone wijze gemeenzaam
met de Godheid, bezat hij het vermogen,
om de bewonderenswaardigste, op menschen-
en volkskennis gegronde, wellen Ie geven,
welke een duurzaam bewijs van de voor-
treffelijkheid van dezen beroemden Wetge-
ver zullen blijven. — Als verzamelaar der
oudste gedenkstukken, en niel minder als
Geschiedschrijver, heeft hij den grootsten lof
en dank verdiend. — Zijn dichterlijk ver-
nuft muntte zeer uit, en in de weinige
overgeblevene dichtstukken van hem heerscht
eene kracht van uitdrukking, die weinige
Dichters bezitten (*).
(•) Deut. XXXIII en XXXIV.