Boekgegevens
Titel: Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Auteur: Verwey, Bernardus
Uitgave: Amsterdam, Deventer en Leiden: Frederik Muller, A.H. de Lange en A.W. Sijthoff, 1857
Maatschappij: Tot nut van 't algemeen
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9208
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202277
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
GESCHIEDENIS. 29
dervond gods gunst en kreeg de herhaalde J- d. W.
verzekering van vorige beloften. Een onbe-2W7—
raden stap zijner zonen veroorzaakte hem^^^®*
echter eenig verdriet. Met zijne woning brak
hij op, en ging naar andere oorden. Zijne
beminde rachel stierf in het kraambed, na
hem den jongsten zoon, benjamin, ter wereld
gebragt te hebben. Nu bezocht jacob zijn'
ouden vader izaük, die, kort daarop, in don
ouderdom van honderd en tachtig jaar, over-
leed, en bij zijne ouders bsgraven werd
IX. Jacob had, op raad zijner vrouwen,
ook hare slavinnen bïlha en silpa getrouwd
bij welke vier vrouwen hij te zamen twaaiif^^®"'^^'^
zonen had, die naderhand de hoofden van^"^^"®"'
de volkstammen in Israël werden. Jacob
ondervond, door den huisselijken twist der
vrouwen, en de verschillende geaardheid zij-
ner zonen, hoeveel nadeel het aanbragt, te-
gen de goddelijke instelling, meer dan ééne
vrouw te hebben.
Door jacobs eenzijdige liefde voor zijnen
zoon jozef, had hij in zijne oude dagen
veel hartzeer, hetgene zijne overige zonen
hem berokkenden. Deze, nijdig op hunnen
broeder, namen eerst voor, hem te dooden.
Dit voornemen gelukkig verijdeld zijnde,
werd jozef, op zekeren tijd, wanneer hij hen
in het veld opzocht, boosaardig en schan-
delijk als slaaf verkocht aan eenige voorbij-
reizende ïsmaëlieten, die dezen jongeling
met zich naar Egypte voerden, en hem
weder verkochten, zoodat hij aldaar in het
huis van potifar, een van des Konings
Staatsdienaars, als slaaf moest dienen. Aan
(•) Gen. XXXII en XXXIII.