Boekgegevens
Titel: Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Auteur: Verwey, Bernardus
Uitgave: Amsterdam, Deventer en Leiden: Frederik Muller, A.H. de Lange en A.W. Sijthoff, 1857
Maatschappij: Tot nut van 't algemeen
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9208
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202277
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Bijbelse geschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der bijbelsche geschiedenis: een schoolboek voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
GESCHIEDENIS. 115
agrippa, kleinzoon van iierodes den Groo-S.n.G.%.
ten, tot Koning aangesteld, eerst wel over33—70.
een gedeelte, maar naderhand over het
geheele Joodsche Land. Onder den thans
regerenden Keizer hadden de Joden veel te
lijden; maar dit werkte juist tot voordeel
dor volgers van jezus, die nu minder
voor de Joden behoefden te vreezen. Pe-
trus maakte zich deze rust ten nutte,
reisde het Land door, deed verscheidene
wonderen, en overtuigde velen, zoodat zij
de leer van jezus aannamen; zelfs mogt
hij, door bijzondere besturing van god,
een' Heiden te Cesar ea, Cornelius ge-
naamd, tot het Christendom aannemen;
zoo toch werd de leer van jezus sedert
eenigen tijd genoemd, terwijl deszelfs aan-
klevers Christenen heetten; welke bena-
ming te Antiochië, eene stad in Syrië,
eerst begonnen is.
Herodes agrippa, wiens magt door den
Keizer van Home weder vergroot was, kwam
nu te Jeruzalem, en onderdrukte de Chris-
tenen, ten einde zich hierdoor in de gunst
der Joden te brengen, makende een begin
met den Apostel jacobus den ouden te
dooden, en petrus in de gevangenis te
werpen, die echter hieruit, op eene zeer
opmerkenswaardige wijze, ontkwam. Hero- Hiro-
des vond echler spoedig het loon zijner des
wreedheid in een' buitengewoon ellendigen*®®''''^
dood. Hierdoor genoot de Gemeente van®'"
christus rust. — Het Joodsche Land
kreeg weder een' Komeinschen Landvoogd»
fadus (*).
(•) Hand. X—XII.