Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over de driehoeksmeting
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9095
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202236
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Goniometrie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over de driehoeksmeting
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
9- In een rechthoekigen bol A is uit het hoekpunt van den
rechten L een loodrechte boog neergelaten op de hypotenusa.
Druk de deelen, waarin de hypotenusa door dien boog
verdeeld wordt, uit in de zijden des driehoeks.
ZiU. Mathem. ex. 1886.
10. In een rechthoekigen bol A is uit het hoekpunt van den
rechten l een loodrechte boog neergelaten op de hypote-
nusa. Druk dezen boog uit in de deelen der hypotenusa.
Idem.
11. Een lijn a helt op een vlak onder een hoek van 63° 12' 14".
Door het voetpunt der lijn is in het vlak een lijn h getrok-
ken , die met de projectie van a op het vlak een hoek van
127° 15". maakt. Hoe groot is de hoek tusschen « en
Eindex. Gymn. Leiden , 1883.
12. In eiken gelijkbeenigen boldriehoek, waarin a de basis is,
heeft men
sin ^ ff = sin b sin J- A
cos b — cot B cot I A
tg I ff r= tg B cos B
cos ^ A = cos ^ ff sin B.
13. Als in een rechthoekigen boldriehoek, waarin c de schuine
zijde is , A = -J X 180" en B = i x 180°, dan is
a b — 90°. Bewijs dit.
14. Als h de loodlijn is, uit het hoekpunt van den rechten hoek
van een boldriehoek op de schuine zijde c neergelaten, is
coX.h (cot ^ff -1- cot H).