Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over de driehoeksmeting
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9095
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202236
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Goniometrie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over de driehoeksmeting
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
zoo groot als de kleinste hoek aan de basis. De opstaande
zijden zijn 25 en 34 cM. Bereken den tophoek.
Toelatingsex. Veeartsenijschool 1888.
19. De diagonalen van een parallellogram zijn 8,97 M en
9,69 M en de hoek, waaronder zij elkander snijden, is
119° 36' 45'. Bereken de langste zijde. Idem.
20. De oppervlakte van een gelijkbeenigen driehoek is 1,92 dM
en de tophoek 73° 44' 20". Bereken de zijden.
Idein.
21. Twee der hoeken van een driehoek zijn 61° 55' 29" en
36° 52' 12". Bereken de grootste zijde, als de oppervlakte
2,1 M^ is. Idem.
22. Van een rechthoekigen driehoek is de hypotenusa = x,
eene rechthoekszijde = ^ en de hoek tusschen die zij-
den 50" 47' 44".
Deze driehoek wentelt om de zijde y-, hoe groot is het
geheele oppervlak van den ontstanen omwentelingskegel,
wanneer men weet dat: xy =■ 470,8 M is.
Eindex. Gymn. Leiden 1887.
23. Bepaal x uit de vergelijking
sin a; — 2 cos x_ ^
4 sin a; cos x Idem.
24. Om 2 schijven is een koord geslagen. Hoe lang is dat
koord, als de afstand der middelpunten 10 cM bedraagt,
terwijl de stralen der schijven 7 en 2 M zijn ?
Eindex. Gymn. Gorinchem 1887.
25. Los de waarde op van x uit de vergelijking
4 sec 2 X
-- = tang 2 X — tang x.
I + cot -'x ^ ®
Litt. Mathem. ex. 1888.
26. Te bewijzen
1/ 11 (i + sin 2d)\ — sin (45° -f a). Idem.
27. Bewijs , dat uit de betrekking
sin (ff — = sin '^a — sin '^b