Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over de driehoeksmeting
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9095
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202236
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Goniometrie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over de driehoeksmeting
Vorige scan Volgende scanScanned page
Toepassing der vlakke-driehoeksmeting op de
stereometrie.
1. Bereken den sinus van den hoek, dien een opstaande van
een regelmatig viervlak met het grondvlak maakt.
Antwoord : | J/" 6.
2. Bereken de lengte van een boog van een parallelcirkel op
aarde , waarvan de geographische breedte 48° 50' is , terwijl
de geogr. lengten zijner uiteinden 3" 36' verschillen. Men
rekene een grooten cirkel op aarde = 4000 KM.
Antw. : 263,3 KM.
3. Bereken de oppervlakte, begrepen tusschen den evenaar
der aarde en een parallelcirkel op een breedte van 45°
gelegen.
Antw.: 180060 MM^.
4. Een rechthoekig parallelepipedum heeft tot hoogte h en tot
grondvlak een vierkant, waarvan de zijde a is. Bereken
de tangens van den hoek, dien twee lichaamsdiagonalen
vormen.
± 2ah -1/2
Antw. : —-— •
h'' — 2a'-
5. Bereken den hoek van een cirkelsector, als men weet, dat
de inhoud van den bolsector, die ontstaat, door de wen-
teling van den cirkelsector om een der stralen, welke dezen
helpen begrenzen , i is van den geheelen bol.
Antw. 70" 31' 44".
6. De hoek , dien elk der opstaande ribben van eene regel-
matige zeszijdige piramide met het grondvlak maakt, is 60°.
Bereken den hoek, dien elk der opstaande zijvlakken met
het grondvlak maakt.