Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over de driehoeksmeting
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9095
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202236
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Goniometrie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over de driehoeksmeting
Vorige scan Volgende scanScanned page
Om- en ingeschreven cirkels.
1. Van een driehoek zijn gegeven
l a = 114° 7' 25"
i B = 50" 18' 36"
en de straal des ingeschreven cirkels 8,046 dM. Bereken
de zijden van dien driehoek.
2. Van een driehoek zijn gegeven
a = 4,627
= 3,850
R = 6,5.
Bereken de onbekende elementen van dien driehoek en- de
straal van zijn ingeschreven cirkel.
3. Van een driehoek zijn gegeven r == 4,25
A = 68° 19' 8"
B = 53° 6' 24".
Bereken de zijde a van dien driehoek.
4. Van een rechthoekigen driehoek is de schuine zijde 42,685
en de straal des ingeschreven cirkels 7,0428. Bereken de
rechthoekszijden en de scherpe hoeken van dien driehoek.
5. Hoe bepaalt men de zijden en hoeken van een rechthoe-
kigen driehoek, als gegeven zijn de halve omtrek =12
en de straal des omgeschreven cirkels = 5.
6. Van een gelijkbeenigen driehoek zijn gegeven de straal des
ingeschreven cirkels = 3 en de straal van den aangeschre-
ven cirkel, die aan de basis raakt, = 5. Bereken de zij-
den en hoeken van dien driehoek.
7. Als r de straal is van den ingeschreven cirkel, van een
driehoek en r' , r", r" de stralen zijn der aangeschreven
cirkels van dien driehoek, heeft men
T^ r
Bewijs dit. ^ r r