Boekgegevens
Titel: Leerboek der algebra
Deel: I
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1893
7e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9042
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202232
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
van het derde op, dan krijgt men tot som 48. Trekt men van de
som van het eerste en het vijfvoud van het tweede het drievoud van
het derde af, dan blijft er 10 over. Welke getallen zijn dat?
2. A en B bezitten samen f 7200 ; B en C samen f 4800 ; A
en C samen f 4600. Hoeveel bezit ieder ?
3. In elk van 3 vaten bevindt zich een zeker hoeveelheid water.
Giet men uit het eerste 20 liter in het tweede, dan bevat het tweede
tweemaal zooveel water als het eerste. Giet men echter 30 L uit het
eerste in het derde vat, dan bevat het derde 20 L minder dan vier-
maal de hoeveelheid, die in het eerste vat is overgebleven. Giet men
25 L uit het tweede vat in het derde, dan bevat dit laatste 50 L
minder dan driemaal de hoeveelheid, die in het tweede vat is over-
gebleven. Hoeveel water bevond zich in ieder vat ?
4. Bepaal 3 getallen, die de volgende eigenschappen bezitten.
Telt men bij het eerste 4 op en trekt men van het tweede 4 af,
dan staan de uitkomsten tot elkaar als 3 tot 4. Vermindert men
echter het eerste met 8 en het derde met 12, dan staan die ver-
schillen tot elkaar als 1 tot 3; en vermindert men het tweede getal
met de helft van het derde en het derde met | van het eerste ,
dan staan de uitkomsten tot elkaar als 5 tot s.
5. A, B en C koopen koffie, suiker en rijst. A betaalt f 205
voor 75 KG koffie, 100 KG suiker en 37,5 KG rijst. B geeft ƒ 255
voor 100 KG koffie, 125 KG suiker en 25 KG rijst. C betaalt
f 355 voor 162,5 KG koffie, 137,5 KG suiker en 53,135 KG rijst.
Hoeveel kost een KG van elke waar?
6. Een zilversmid heeft drie stukken metaal, A, B en C, die
ieder uit goud, zilver en koper bestaan. A bestaat uit 10 HG
goud, 15 HG zilver en 5 HG koper, B uit 15 HG goud, 25 HG
zilver en 30 HG koper, C uit 20 HG goud, 24 HG zilver en
36 HG koper. Welk deel moet hij van elk stuk nemen, opdat
hij na samensmelting van de 3 deelen een stuk krijge , dat 10 HG
goud, 15 HG zilver en 16 HG koper bevat?
7. Een getal bestaat uit 3 cijfers. De som van die cijfers is 11.
Het laatste cijfer aan de rechterhand wordt verkregen, als men het
dubbele van het tweede vermindert met het eerste en met 1. Telt
men 198 bij het getal op, dan krijgt men tot som een getal, dat
uit dezelfde cijfers als het oorspronkelijke getal bestaat, maar in
omgekeerde volgorde. Welk getal is dat?
8. Drie broeders, A, B en C, koopen samen een huis voor
f 24000. C kan die som betalen, als B hem de helft van zijn geld
geeft. B kan die som betalen, als A hem een derde van zijn geld