Boekgegevens
Titel: Leerboek der algebra
Deel: I
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1893
7e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9042
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202232
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
liter van de eerste en 30 Hektoliter van de tweede soort; samen
voor f 2400. Een anderen keer koopt hij tegen denzelfden prijs 30
hektoliter van de eerste en 25 Hektoliter van de tweede soort,
samen voor /"2800. Hoeveel kost een Hektoliter van elke soort?
6. A en B bezitten verschillende kapitalen. A wint met zijn
kapitaal /" 1500 en B verliest ƒ 500, waardoor het geld van A tot
dat van B staat als 3 : 2. Als echter A f 500 verloren had en B
/"lOOO gewonnen, dan zou het geld van A tot dat van B staan als
5 : 9. Hoeveel had ieder aanvankelijk?
7. Als een rechthoek 4 M langer en 5 M breeder was, zou zijn
oppervlak 116 M'' meer bedragen. Als echter de lengte 5 en de
breedte 4 M moer was, zou het oppervlak 113 M^ grooter zijn.
Bereken de lengte en de breedte van den rechthoek.
8. Twee getallen staan tot elkaar als 3 : 5. Als men bij het
eene getal 10 optelt en van het andere 10 aftrekt, krijgt men de
omgekeerde verhouding. Bepaal die twee getallen.
9. Een getal van 2 cijfers is gelijk aan 4 maal de som der cijfers
van dat getal. Telt men 18 bij Het getal op, dan krijgt men een
getal, dat uit dezelfde cijfers bestaat als Het oorspronkelijke getal,
maar in tegengestelde volgorde. Welk getal is dat?
10. Iemand betaalt een schuld van / 115 met guldens en rijks-
daalders. Hoeveel guldens en hoeveel rijksdaalders betaalt hij, als
het aantal geldstukken 61 is?
11. Welke breuk wordt gelijk aan als men 1 optelt bij den
teller, en geljjk aan als men 1 optelt bij den noemer?
12. A zegt tot B: als gij mij f 10 van uw geld geeft, heb ik 2
maal zooveel, als gjj overhoudt; en B zegt tot A: als gij mij /" 10 geeft,
zal ik 3 maal zooveel Hebben, als gij overhoudt. Hoeveel heeft ieder?
13. A en B bezitten samen /'ISO, en C bezit ƒ 50 meer dan D.
Ook bezit A tweemaal zooveel als C en B driemaal zooveel als D.
Hoeveel.bezit ieder?
14. Een jongen besteedt zijn geld aan sinaasappels. Als Hij er 5
meer voor zijn geld gekregen had, zou elk een halven stuiver minder
hebben gekost; als Hij er 3 minder voor zijn geld Had gekregen, zou
elk een Halven stuiver meer gekost hebben. Hoeveel geld had hij ?
15. Een getal geeft door 13 gedeeld 9 en door 17 gedeeld 15 tot
rest. Welk getal is dat, als de quotienten 2 verschillen?
Ex. Zeevaartk. school. Amsterdam 1892.
16. Een stoomboot legt, als zij een rivier opvaart, 9 KM per
uur af, en als zij de rivier afvaart 15 KM. Welken weg legt die
stoomboot in een uur af in stilstaand water?
J. Versluys, Algebra, I. 5