Boekgegevens
Titel: Leerboek der algebra
Deel: I
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1893
7e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9042
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202232
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
sten van zjjn gewicht verliest en dat zilver in water 95 duizendsten
van zjjn gewicht verliest. Hoeveel zilver was in de kroon?
28. Van twee getallen, elk van drie cijfers, is de som 999.
Schrijft men ze naast elkaar, door een decimaalteeken gescheiden,
dan is het eene van de twee getallen, die men op die wijze ver-
krijgen kan, zesmaal zoo groot als het andere. Welke zjjn die getallen?
Litt. Mathem. ex. 1892.
29. Een som van 100 gulden bestaat uit kwartjes, guldens en
rijksdaalders. Het aantal kwartjes staat tot het aantal guldens als
4 : 3 en tot het aantal rijksdaalders als 5 : 3. Uit hoeveel geld-
stukken van elke soort bestaat die som ?
Ex. Adelborst, 1892.
30. Verdeel f 6900 onder A, B, C en D op de volgende wijze.
B moet /■ 1500 minder hebben dan het dubbele van A, C moet
ƒ 200 meer ontvangen dan het dubbele van B, en D driemaal zoo-
veel als C en bovendien f 600.
31. Een koopman wil een bepaalde som gelds aan het inkoopen
van suiker besteden. Koopt hij 910 KG, dan houdt hij f 45 over;
maar koopt hij 1050 KG, zoo komt hij /"25 te kort. Welke som
wordt er bedoeld?
32. /■ 1200 brachten in 11 jaar evenveel interest op als /" 1600,
die tegen IJ percent hooger uitstonden, in 6 jaar. Bereken de
percenten.
ONMOGELIJKE VRAAGSTUKKEN.
§ 66. Als een vraagstuk aanleiding geeft tot een valsche vergelij-
king, is het onmogelijk, een waarde voor het onbekende getal te
vinden, die aan de vergelijking voldoet; en dus ook onmogelijk
een waarde te vinden, die aan het vraagstuk voldoet.
Voorbeeld. Men vraagt een getal te vinden, zóo, dat 7 maal
het zesde deel, verminderd met het drie-vierde gedeelte, 2 eenheden
meer bevat dan het vijf-twaalfde deel van dat getal.
Noemen wij het gevraagde getal x, dan is
of, als men met 12 vermenigvuldigt,
14a; — 9a; = 24 + 5a;, of
5a; — 5a; = 24, of
a; (5 — 5) = 24.
Ea daar men geen getal kan vinden, dat, met O vermenigvul-
digd, 24 oplevert, zoo kan men geen getal vinden, dat aan een