Boekgegevens
Titel: Leerboek der algebra
Deel: I
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1893
7e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9042
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202232
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
Vraagstukken. 1. Een getal te vinden, welks drievoud met 5
verminderd 25 oplevert.
2. Als men een zeker getal met 2 vermenigvuldigt, van dat pro-
dukt 4 aftrekt, het komende verschil door 5 deelt en bij dit quo-
tiënt 12 optelt, krijgt men 15. Welk getal is dat?
3. Van welk getal is het negenvoud 12 meer dan het vijfvoud?
4. Van welk getal bedraagt het vierde en het negende deel
samen 6,5?
5. Van welk getal is het negende deel 2 grooter dan het vijftiende?
6. Als men een onbekend getal met 3 vermenigvuldigt, bü dat
produkt 4 optelt, de som met 2 vermenigvuldigt, van dit produkt
20 aftrekt en eindelijk dit verschil door 4 deelt, dan krijgt men tot
uitkomst een getal, dat 3 grooter is dan het onbekende getal. Wat
is het onbekende getal?
7. In welk talstelsel wordt het getal vijftien voorgesteld door 23?
8. Verdeel het getal 33 in twee deelen, zóo dat het eene deel
5 grooter is dan het andere.
9. A heeft /'56 en B ƒ 40. A krijgt er eiken dag fl bij en
B ƒ5. Na hoeveel dagen zal B driemaal zooveel geld hebben als A?
10. Een vader is 45 jaar en zijn zoon 10. Na hoeveel jaar zal
de vader zesmaal zou oud zijn als de zoon?
11. Verdeel /"9000 zoodanig onder 3 personen, dat B tweemaal
zooveel krijgt als A en C driemaal zooveel als B.
12. Drie personen bezitten samen ƒ 4200. A en B bezitten even-
veel en samen /'1400 meer dan C. Hoeveel bezit elk?
13. Het kapitaal van A staat tot dat van B als 8 tot 5. A
verliest van het zijne 5 perc. en f 100; B daarentegen wint f 625.
Als hun kapitalen zich nu verhouden als 4 tot 3 , hoeveel bezat
ieder dan eerst?
14. De bezetting van een plaats bestaat uit 100 man, infanteristen
en cavaleristen, die maandelijks ƒ 1150 ontvangen. Als elke infan-
terist maandelijks /" 10 en elke cavalerist ƒ16 ontvangt, hoeveel
manschappen zijn er dan van elk wapen?
15. In een gezelschap waren tweemaal zooveel mannen als vrouwen.
Nadat 6 mannen en evenveel vrouwen waren weggegaan, bleven er
nog vijfmaal zooveel mannen als vrouwen over. Hoeveel mannen
en hoeveel vrouwen waren er eerst in het gezelschap ?
16. Welk getal moet men optellen bij den teller en den noemer
van de breuk ^f, opdat de breuk gelijk worde aan f?
17. Een vader is 80 jaar ouder dan zijn zoon en zal na 5 jaar
tweemaal zoo oud zijn als zijn zoon. Hoe oud zijn beiden?
4*