Boekgegevens
Titel: Leerboek der algebra
Deel: I
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1893
7e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9042
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202232
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
157
Vóór de rekening betaald was, liepen 2 personen weg, waardoor
elk der overigen f 5 meer moest betalen. Hoeveel personen waren
er eerst?
40. Iemand koopt een zeker aantal schapen voor/" 1200; hij
behoudt er 15 en verkoopt de overige voor f 1080 , waardoor hij
op elk schaap f 2 wint. Hoeveel schapen waren er, en hoeveel
kostte elk schaap?
41. In welk talstelsel wordt 233 (tientallig) voorgesteld door 452?
42. A en B reizen elkaar te gemoet uit 2 plaatsen, die 988 KM
van elkaar verwijderd zijn. A legt dagelijks 36 KM af, en het
aantal dagen, dat er verloopt eer zjj elkaar ontmoeten, is 3 grooter
dan een vierde gedeelte van het aantal kilometers, dat B per dag
aflegt. Welken weg heeft ieder afgelegd bij het ontmoeten ?
43. Iemand koopt tweeërlei soort van linnen. Van het fijnere
kost de meter ƒ 0,25 meer dan van het andere. Voor het fijnere
linnen betaalt hij in 't geheel f 22,5 meer dan voor het grovere,
dat 2 M langer is, en waarvoor hij ƒ20 betaalt. Hoeveel linnen
heeft hij van elke soort gekocht ?
44. Een wijnhandelaar verkoopt 7 HL gewonen wijn en 12 HL
van eene betere soort voor f 2400. Voor f 480 geeft hij 3 HL
gewonen wijn meer dan hij voor ƒ288 van de betere soort geeft.
Hoeveel kost een HL van elke soort ?
45. Bepaal twee getallen, wier verschil 3 is, terwijl de som van
hun kwadraten 89 is.
46. Bereken a; uit p-" (x* — 1) + x y (x* — 1) = 2 : x.
47. ax -4- 1 =-•
48. ]/x — 2=x — 8.
49. Welke waarden moeten a en 6 hebben, opdat in het vol-
gende stel vergelijkingen
2x— ny -h 32 =5
x+ 3y + ie =2i
2x — löy + 25? = 5
éen afhankelijk is van de andere twee.
50. Bereken x, als 2x' + V (x' — 9) = + 21.
51. Welk getal moet men bij zijn vierkant optellen , om 42 te
krijgen ?
52. Van 2 vierkante grasperken is de lengte van het eene 10
meter meer dan van het andere. Als hun oppervlakken tot elk-
ander staan als 25 tot 9, vraagt men de lengten.