Boekgegevens
Titel: Leerboek der algebra
Deel: I
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1893
7e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9042
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202232
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
9. Bepaal p zoodanig dat de vergelijkingen
+ (a + p) 3 - a = O
en z^ + (h —p) z ~ b = Q
een wortel gemeen hebben.
a b
a — 1 ~ h — 1
10. Herleid -^—
a l i + 1 Adsp. Admin. Marine 1892.
11. Bereken x uit:
3497
a; = 1/(54,7638)1=»*« Idem.
12. Herleid (_ | + i ]/ _ 3)®. Idem.
13. Iemand leent van 3 personen geld tegen 5 pet. 'sjaars,
interest van interest, van A de helft meer dan van B, en van C
f 200 minder dan van A. Als de rente na twee jaar f 307,50 be-
draagt, hoeveel heeft hij dan van ieder geleend? Idem.
14. Waaraan is x gelijk in :
+■-ƒ^ , ld.
15. Iemand kocht 100 KG thee. Hiervan verkocht hij 60 KG
ä ƒ2,50, 25 KG ä ƒ 2,10 en de rest met 15 cents verlies per KG.
Zoo hij nu door elkander percent wint, vraagt men den in-
koopsprijs van één kilogram. Litt. Mathem. ex. 1891.
16. De volgende vergelijking op te lossen:
l/(x+ 15) + l/(a; —24) — l/(a;— 13) = 1/x. ld.
17. Iemand handelt met een zeker kapitaal. Het eerste jaar
verliest hij 4f percent. Van het geld, dat hij nu nog bezit, ver-
liest hij in het tweede jaar 51 pet. en van het overblijvende in het
derde jaar 6 pet. In de vijf volgende jaren wint hij elk jaar x pet.,
telkens gerekend van het bedrag, dat in het voorafgaande jaar was
verkregen, en bezit bij het einde van het achtste jaar weer even-
veel als oorspronkelijk. Wat is x? Idem.
18. Van een evenredigheid is de eerste term de som der
middelste termen = b. Vermenigvuldigde men den derden en den
vierden term elk met c, dan zouden de termen der evenredigheid,
in dezelfde volgorde genomen, eene meetkundige reeks vormen.
Wat is de tweede, derde en vierde term van die evenredigheid?
Na de oplossing te nemen a = ß, b — 20 cn c — d. ld.
19. Een kapitaal van 1000 gulden staat uit interest op interest.
Bij het einde van ieder jaar wordt ^ van hetgeen het kapitaal dan