Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
Opmerking. Het woord lichaam komt voor als meetkundig
lichaam: waarvan een bepaling wordt gegeven in de meet-
kunde; als natuurkundig lichaam, waarvan een bepaling wordt
gegeven in de wetenschappelijke natuurkunde; en bovendien
komt dat woord in het dagelijksch leven voor in een be-
perkter beteekenis dan in de natuurkunde. In het dagelijksch
leven noemen we niets een lichaam, dat we niet kunnen
zien. Het woord lichaam komt in de vormleer voor met
dezelfde beteekenis als in het dagelijksch leven. Een bepa-
ling behoeven we daar niet te geven, wat trouwens ook niet
gemakkelijk is.
DE KUBUS.
§ 4. Bij het bespreken van dit en andere lichamen kan
men op twee wijzèn handelen. De onderwijzer alleen heeft
een kubus of zoowel de kinderen als de onderwijzer hebben
ieder een kubus. Het eerste is gewoonlijk het geval, het
laatste is beter. Het verschil is van denzelfden aard als in
't algemeen het onderscheid tusschen zien en doen. — Voor
de leerlingen zijn kuben van 5 centimeter verkieslijk. Bij
den uitgever van dit boek zijn ze te verkrijgen voor 4 gul-
den de 50.
ZIJVLAKKEN VAN DEN KUBUS.
§ 5. De onderwijzer begint met te vragen naar den naam
van het lichaam, die aan de leerlingen reeds bekend gemaakt
is bij het rekenonderwijs. De leerlingen moeten het lichaam
in de eene hand nemen, zóó dat een zijvlak horizontaal is
en een ander vlak naar den leerling gekeerd. Nu laat men
achtereenvolgens met de andere hand aanwijzen
bovenvlak en benedenvlak,
voorvlak en achtervlak,
rechterzijvlak en linkerzijvlak.
Dit aanwijzen geschiedt eerst in deze volgorde en later
door elkaar. Ook wijst de onderwijzer aan bij zijn kubus ,
terwijl de leerlingen opnoemen en aanwijzen.