Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
GELIJKVORMIGHEID VAN RECHTHOEKEN EN
ANDERE FIGUREN.
§ 124. De leerlingen zien, dat bij twee gelijkvormige recht-
hoeken de verhouding van grondlijn en hoogte bij den eenen
gelijk is aan de verhouding van grondlijn en hoogte bij den
anderen, en omgekeerd; dat m^n gelijkvormige rechthoeken
kan verdeelen in gelijkvormige driehoeken ; dat twee gelijkvor-
-30°
mige ruiten de hoeken gelijk hebben, en omgekeerd; dat twee
gelijkvormige parallelogrammen de hoeken en de verhoudingen
tusschen overeenkomstige zijden gelijk hebben, en omgekeerd;
dat twee vierhoeken gelijkvormig zijn , als zij uit gelijkvor-
mige driehoeken bestaan, die op dezelfde wijze aan elkaar
sluiten, en omgekeerd.
§ 125. De hoogte van een 'berg te bepaleii.
Wij willen de hoogte- CD bepalen. We meten de lengte
van een horizontale lijn AB, die met CD in een zelfde
vertikale vlak ligt en naar het voetpunt C van die loodlijn
loopt. We meten hoek A en den scherpen hoek B. Vinden
we voor de lijn AB 28 hektometer, dan teekenen we een
figuur, waarin AB 28 millimeter bevat, maken daarin de
hoeken A en B gelijk aan de gegeven hoeken en meten de
lijn CD. Zooveel millimeters als deze bevat, zooveel hekto-
meters bedraagt de hoogte van den berg.
Is de zijde van een vierkant tweemaal zoo groot als de
zijde van een ander vierkant, dan kan men het eerste in