Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
"jL.jtJHiijia'1
74
Plaatst men den kleinsten driehoek ABC beurtelings op
twee hoeken F en E van den grootsten driehoek, dan blijkt,
dat de evenredigheid voor de 3 zijden geldt.
Na de behandeling van eenige voorbeelden wordt het vraag-
stuk behandeld: Als de schaduw, die een stok van 3 meter
bij zonlicht geeft, 2 meter lang is, hoe hoog is dan een boom,
waarvan de schaduw op hetzelfde oogenblik 6 meter is.
Evenzoo van een toren.
§ 122. Den afstand van twee pnnten A en B te bepalen,
als tusschen die punten een vijver ligt.
Men meet ^ B en lijn
BC. Men bakent uit b een
lijn af, zóó dat Z. b —
Z. B en bepaalt in die lijn
een punt a, zóó dat men
uit C over a heen A kan
zien. Meet men nu ab en
bC, dan kan men AB be-
rekenen.
Zij n\. bC = II M., BC
= 45 M en ab = 9 W,
AB = X 45 M = 36t\ M.
dan is AB = A X BC.
Opmerking. Bij de bovenbedoelde metingen behoefden wij
niet in het punt A te zijn. Men zou dus op dezelfde wijze
den afstand kunnen bepalen van een toegankelijk tot een
ontoegankelijk punt.
§ 123. Wij kunnen thans spreken o\ex de verhouding van
twee lijnen. De verhouding van twee rechte lijnen is het getal,
dat aanwijst, hoe dikwijls men de eene lijn moet nemen,
om de andere te krijgen. Als een lijn 5 dM. is en een andere
3 dM, dan is de verhouding van de eerste lijn tot de tweede
De verhouding van twee getallen is hun quotiënt.